Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
41
in de jol neergelaten en een eind weegs van het schip gevoerd ^
tot wij. ons op eene stee bevonden, waar het water een inham
in de rotsen maakte. Hier was eene landingsplafits en eene na-
tuurlijke trap in de rots, die wij op moesten; het was er bij
wijlen mooi donker, want het hing er zoo dicht van takken en
struiken, dat de zon geene gelegenheid had om er door te
schijnen; en er liepen overal hagedissen, zoo vlug en zoo-
glinsterend, als ik ze mijn leven niet gezien lieb. — Nu! toen
wij bovenop de hoogte Avaren, moesten wij er aan de andere
zijde Aveer af en kAvamen zoodoende in eene a\allei, waar dan
eigenlijk het Avare verblijf van de zeeroovers Avas: en eene goede
schuilplaats Avas het, Avant wie den ingang tot de zeestraat en
het pad over de rots niet kende, zou ei' jaren naar gezocht
hebben. Hier bracht men ons in eene groote schuur, Avaar dag-
en nacht schildwachten met geladen vuurroeren voor stonden:
't geen mooi onnoodig Avas, Avant al hadden Avij Avillen en
kunnen Avegloopen, ik Aveet niet, waar Avij heen Avaren ge-
gaan. Alle dagen kwam men een van de met ons gevangen
Senhores ') halen .en die kAvam dan niet Aveerom. »Die is er om
koud," zei Sander dan. Maar ik zei: »neen! dan zouden zij ons
zoo lang den kost niet gegeven hebben; maar zij geven hun de
keus om gehangen te Avorden of dienst bij hen te nemen: dat
is zoo zeerooversmanier." — Wij dachten al: Avanneer zal de
beurt aan ons komen? toen eens op een dag een allerliefst
Juffertje binnenkwam, een meisje van zoo a^eertien of vijftien
jaren, naar ik gis, met een recht a^iendelijk gezichtje en een
heel net kleedje aan. »Zijn er hier geene Hollandsche zeelui?"
vroeg zij in zuiver Nederduitsch. Sander en ik, Avij keken elk-
ander aan, alsof Avij het in Keulen hadden hooren donderen.
»Tot je dienstzeiden Avij allebei: »Avat is er a'an je believen?" —
»Wilt ge zoo goed zijn, mij te volgen?" zei zij toenAveerj met
een allerliefst stemmetje. »Niets liever dan dat," antwoordden
Avij, Avant Avij hadden mooi onze bekomst van in die stinkende
schuur te zitten. Zij ging vooruit; de schildwachten presenteer-
den het geAveer a-oor haar, krek, of zij eene prinses Avare ge-
') Ileeren. l^ulver duidt met diou naam de Spanjaarden aan.