Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
40
KAPITEIN PULVER ONDER DE VRIJBUITERS.
Harmen Pulver, Kapitein op »de Prins te Paard' is met zijn
stuurman Sander Gerritsz. bij stormweder over boord geslagen en
door een Spaansch schip opgenomen. Dit schip wordt door vrij-
buiters aangevallen en veroverd, zoodat Pulver in gevangenschap
geraakt.
Hij vertelt deze lotgevallen in een familiekring op het buitengoed
Heizicht en gaat voort op de volgende wijze:
»Wij gingen onder zeil en het duurde zoowat vier of vijf
etmalen, dat wij in dat satansche hok bleven opgesloten zonder
zon of maan te zien: alhoewel, dit moet ik tot eer van den
vrijbuiter en van zijn kok zeggen, wij kregen, ofschoon gevan-
genen, beter eten dan op het Spaansche schip. Eindelijk, den
zesden dag geloof ik, liet men ons op het dek hijschen. Ik
keek ereis rond om hoogte te nemen; maar Joost haal me, zoo
ik de plaats herkende, waar we ons bevonden; en dat was nog
al natuurlijk, daar ik er nooit geweest was. Wij lagen voor
anker in eene zeestraat; althans voor zooverre ik in dien korten
tijd heb kunnen bespeuren: liet was zout water en zoo helder,
dat men het zand van den bodem en al de vissehen, die er
heen en weer zwommen, onderscheiden kon. Rechts en links
een muur van rotsen, die naar mijne gissing wel vijfhonderd
voet uit het water oprezen, en zoo steil, dan men zou gedacht
hebben, zij waren den dag te voren vau elkander gespleten;
overal groeiden er boomen en struiken op, waar maar een
beetje aarde en eene scheur in de rots was om zich vast te
hechten, terwijl het kanaal op sommige plaatsen zoo smal was,
dat de takken van weerskanten elkander ontmoetten bij wijze
van een berceau, zooals men dat op zijn Fransch heet, geloof
ik; en dan had men er vogels in van alle soort, duiven en
spechten en eenden en nachtegalen, die zongen, dat het een lust
was en witte kraanvogels en zwarte kraanvogels en grijze
kraanvogels, die hier en daar stonden te kijken, met eene ver-
waandheid als een diender voor een Sinterklaaswinkel. Maar ik
Jiad niet lang tijd om alles nauwkeurig op te nemen: wij werden