Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
39
liij zich met droge zaden van wilde spiraea of kleinere kruiden.
Het berberissestruikje is al ras geplunderd. Niet dat alles
opgegeten is; o neen, het grootste deel der beziën ligt op den
grond verspreid , lietzij als onrijp weggeworpen of met speelsch-
heid vermorst, hetzij, juist doordien zij onrijp waren, onder
het stoeien van de steeltjes afgeschud. De zwakste of bedaardste
of voorzichtigste der vogeltjes hebben zich dan ook reeds aan
het gewoel onttrokken en zitten nalezing te houden t\isschen
't gras in de rondte, de gulzigste en sterkste daarentegen zijn
van liet deerlijk gehavende struikje op een verschen haag-
doorn overgewipt. Doch doornbessen na berberissen schijnt voor
hen »de boer op den edelman" te wezen. Do meesten blijven
daar niet lang. Dichtbij echter had reeds van den beginne af
een grauwe lijster zijn naam eer aangedaan, en zijn hart opge-
Jiaald aan de naar hem genoemde vruchtjes. Op den nieuwen
voorraad doet nu de groote hoop een aanval. De lijsterbesse-
boom, die dadelijk van eene massa lieel en half verdorde bla-
deren bevrijd wordt, zwenkt voortdurend lieen en weder onder
het rumoer van dit onverwachte bezoek. Nog steeds vermeer-
deren de bezoekers; ijlings aangevlogen, zetten zij zich neder
en buigen tegelijk met hunne knie hunne kleine teenen, zoodat
die zich stevig om de takken klemmen, waardoor zij met hun
bek de wiegelende trossen kunnen grijpen. Eensklaps komt een
ekster aan, zijn wijfje voegt zich bij hem; die twee krassen,
lachen, schateren, pikken in de bessen en brengen den schi'ik
onder ile kleine vogels, welke, angstig wegvliegend, geërgerd,
op een korten afstand, tegen hen blijven zitten piepen, maar
hun intusschen, zeer voorzichtig, de keus uit de schitterendste
trossen laten. Onrustig als hij is, blijft de ekster gelukkig niet
lang; met vluggen wiekslag schieten beiden naar de overzijde
van den duinrug en terwijl wij hen nog even nazien, om den
prachtig blauwen weerschijn op hun staart en hunne vleugels te
bewonderen, hebben reeds de anderen hunne plaats hernomen,
met luid gesjilp elkaar gelukwenschend, dat het veld weer vrij is.
{In 't vrije veld. Brieven van een landmeisje aan jonge dames. Amster-
dam, C. L. Brinkman).