Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
38
de vinken, die bij zes- en zeventallen tegelijk hier komen
nedervallen , eer zij zich straks misscliien laten beetnemen in
de verleidingen der naaste vinkenbaan. Hier ten minste zijn ze
nog veilig. Oj) dit feest wachten hen geene listen en geene
andere beleedigingen, dan die zij zeiven op hunne beurt ook
idtdeelen: de bekslagen en stooten, welke afgunst en inhalig-
heid hier en daar toedienen. De meezen vooral zijn ondeugende,
Icort aangebonden vogeltjes, die hun korten snavel even licht
gebruiken om elkander als om bessen te pikken.
Telkens vermeerderen de gasten. Het middelpunt van het
landelijk maal is echter nu niet meer de hagedoorn, maar een
groote berberissestruik, Avelks vruchten aan de meesten nog
beter schijnen te bevallen. Daaromheen springen zij en verdrin-
gen zij elkander eii liuppelen en 'stoeien zij en schijnen zij
verstoppertje te spelen achter de bladen, zoodat wij ze nauwe-
lijks meer kunnen onderscheiden. Daar glinstert iets heldergeels
tusschen de takken; het is de kop van een goudhaantje, dat
voor de gezelligheid de meezen op hare vlucht gevolgd is, toen
zij zijn gewoon verblijf, het sparrenbosch, voorbijvlogen. Zoo even
zag ik ook een winterkoninkje, wat zijne grootte aangaat, het
koUbrietje onder onze inlandsche vogels. Hoe aardig, vlug en
dartel beweegt het kleine ding zich, hoe wipt het onophoudelijk
met zijn staartje, nu eens langs een stam of stengel naar dier-
lijk voedsel zoekend, dan weer als terloops een berberisje snap-
pend. Want ook hij, klein als hij is, noemt dit eigenlijk kinderkost
en is zelf een jager in zijn liart. Echte planteters zijn niet ééne
soort van vogels, alleen duiven en kroos etende zwemvogels
uitgezonderd; maar ook de kloekste jager heeft wel gaarne wat
groente of moes bij zijn wildbraad, en aldus kan onze winterko-
ning het zich zonder schande veroorloven om heden deel te nemen
aan dit vruchtenfestijn. Het is een waar volksoploopje onder de
vogels: zelfs de schuwe basterdnachtegaal, anders zoo eenzelvig,
waagt het ditmaal, zich onder het gezelschap te mengen. Slechts
dat boomkruipertje acht zich boven de zaak verheven, klimt rustig
door al het rumoer heen, tegen zijn abeelstam op en onder-
zoekt de spleten van de schors met zijnen snavel; zoo hij al eens,
voor de afwisseling, iets plantaardigs wil eten, dan vergenoegt