Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
zeeheld was, wiens wedergade vroegere tijden nooit hadden
aanschouwd en latere wellicht nooit zouden zien, en Jan Vos
sprak slechts waarheid, toen hij zijn bijschrift op 's Mans beel-
tenis eindigde met de verzen:
Beschreit dien Watergod, — vergeefscli is 't zegepralen,
De lauwren zijn te dier, die wij met Tiomp betalen.
E. J. PoTGIETEIt.
{Schetseti en Verhalen. Haarlem, Kruseman en Tjeenk Willink.)
HET MUSCHJE.
Er zal een hevig onweer komen;
Wat wordt de lucht daar zwart en dik!
De blaadjes trillen aan de boomen.
En ieder bloempje beeft van schrik.
De zon schuilt weg, 't begint te donkren.
De schuwe zwaluw zoekt het riet;
Ginds zie ik reeds het weerlicht flonkren, —
En — stil!____was dat de donder niet?
O, als het onweer los zal breken.
Waar vindt gij, arm, klein musehje, dan
Een schuilplaats, waar ge u kunt verstoken.
Een dak, dat u beschutten kan?
»Hij, die mij 't aanzijn heeft gegeven.
Vol liefde en goedertierenheid,
Waakt ook gestadig voor mijn leven,
Is altijd tot mijn hulp bereid."
3*