Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
33
vlag der Bare zag neerhalen en in dien smaad de bevestiging
aanschouwde van het victoriegeroep der roovers.
Vergeefsche bede — de dapperen waren gevallen!
Eer echter dat zinnebeeld van Hollands onafhankelijkheid door
den sehendigen voet des vijands kende worden vertrapt, beproefde
Arie Goossens, wiens rechterhand was afgehouwen, met de
waj)enen, welke liem overschoten — zijne linkerhand en zijne
tanden — hem dat lieilige teeken te ontrukken. Zij worstelden
oenige oogenblikken, de betwiste vlag werd hun lijkkleed, Goos-
vsens sleepte zijn tegenstander mede in zee.
»Zult gij mijns vaders dood niet wreken?" herliaalde Marten.
»Prinee Mouringh had hem lief, maar ik nog meer jongen!"
Avas het antwoord en Sir Francis zou den dolk, die als een
bliksemstraal voor zijne oogen flikkerde en verdween, niet ont-
gaan zijn, indien de jeugdige krijger den stoot niet in zijn arm
had opgevangen.
»Isabeau!" riep Sir Francis, en de kreet verried de hevigheid
zijner aandoening.
»Ik ben beloond!" antwoordde zij, »laat dien knaap in mijne
kajuit brengen, het is de zoon des Kapiteins."
Sir Francis gaf de vereischte bevelen.
»Dank hebbe uw goede wil, rouwe Gijsbert!" zuchtte Marten,
die, van het lijk zijns vaders afgescheurd, terwijl men hem
wegvoerde, den man gewaar werd, die zijne bede had verhoord
on er duur voor boette.
»En God — mijne ziele — Marten!" — kermde de stervende.
Vóór nog de schemering inviel, was de Bark leeggeplunderd
en hadden de roovers het kleine gedeelte harer bemanning,
<lat niet voor de overmacht was bezweken, in kotenen gesloten
en aan boord overgebracht. Verney deed oogenblikkelijk de her-
■stelde zeilen der Fairest ophijsehen, en zette zijn tocht voort.
Vlug als een watervogel, wiens neergeslagen wieken slechts de
kruinen der golven aanraken, gleed de ranke bodem over den
Oceaan, thans door het schitterend gestarnte van den hemel
bestraald. Diep in het oosten bleef een vurig gevaarte een ge-
ruimen tijd zichtbaar; eindelijk was het, of het met een doffen
donderslag in den schoot der wateren wegzonk. »Mijn Vader!
Van Eigen Bodem. Uit velerloi pen. IV, 9« druk. C 3