Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
geschreeuw werd steeds heviger, de lafste werd moedig, de
bloodste onvervaard. Het gevecht had een \-ierde uurs gedinird.
Waartoe zoude ik u al de ijselijkheden ervan schilderen? Hol-
landers waren nooit laf op zee.
»Vader, gij bloedt!'' zeide Marten.
»Ik voel het niet, jongen! — Luitenant Heinsz!"
»Luitenant Heinsz is dood!" klonk het door de wolken rooks.
»Claos Hendriksz dan?"
En Claes Hendriksz kwam, ontving de bevelen des kapiteins
en spoedde zich naar het andere einde van het schip.
»Vader, laat mij den wondheeler halen!"
»Denk aan u zeiven het laatst, zoo gij ooit bevelhebber wordt,
Marten!"
Een dubbele laag van het vijandelijk vuur deed een akelig
gekerm opgaan; maar met meer tegenwoordigheid van geest dan
zijne jaren beloofden, strikte Marten, te midden daarvan, zijn
halsdoek los en wond dien om het been van zijn vader: Har-
bart was aan de kuit gekwetst.
»Ane Goossens!" riep de Kapitein. Het duurde eene geruime
wijl, eer hij verstaan werd; eindelijk verscheen de geroepene,
en Harbart deelde hem dezelfde orders mede, welke hij een
oogenblik te voren aan Claes Hendriksz gegeven had, doch het
was te laat — de vijand enterde.
Arme Harbart Martssen! hij zag, dat de bevolen wending ver-
zuimd was. »Er rest mij niets dan een eerlijke dood!" dacht hij;
en snelde den roover te gemoet. »Marten! groet uwe moeder
voor mij!"
Doch eer de aanvoerders elkander ontmoetten, vielen er diie
schoten. »Vader! Vader!" kermde eene stem. »Vader! Vader!"
Helaas! de vader zweeg en bleef zwijgen, — Marton knielde bij
zijn lijk.
Sir Francis Verney, de bevelhebber van het kaperschip, stond
op drie schreden af stands het tooneel aan de staren; een jonge
krijger aan zijne zijde zuchtte, het was zijne geliefde Isabeau,
in krijgsmansgewaad.
»Zult gij mijns vaders dood niet wreken?" schreeuwde Marten,
zijne tranen afwisschende, het scheepsvolk toe, terwijl hij de