Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
31
«
»Kus uüj, jongenI Moeder had gelijk, foon zij u te huis
wilde houden."
»En was ik u dan tot last. Vader! of vreest ge, dat ik bang
ben? Xeen, liever dan als eene oude best bij den haard to
zitten, zoude ik in den mast van dien roover klimmen. en zijne
vlag met mijne tanden neerhalen."
'Maai' er zijn geen honderd realen van achten aan te verdie-
nen, Marten!" hernam de vader glimlachende om de drift van
den jongen, en zinspelende op de belooning aan den trompetter
van Kapitein Cleinsorge geschonken, die een dergelijk waagstuk
in den slag bij Gibraltar aan boord van den Spaanschen Admi-
raal met gelukkig gevolg ten uitvoer bracht.
»Er is eer bij te behalen!" hernam de knaap, »en hebt gij
mij niet zelf geleerd, dat glorie moer waard is dan geld?"
»Vergeet het nooit, jongen!" hervatte Harbai't, »en God zal
met u wezen, ook wanneer ik —"
liet roofschip was onder schot gekomen, de vader ging in
den bevelhebber te loor. »Vuur!" klonk het en eene donkerder
wolk dan aan den azuren hemel ronddreef, omgaf eensklaps de
beide zeekasteelen.
II.
»Goeden nacht. Luitenant!" zeide rouwe Gijsbert, de machte-
looze hand van Heinsz drukkende, »ik zal u dra volgen, man!"
»Nu kan hij mij in geen dikken mist meer een uur lang op
den top van den mast laten zitten," merkte een matroos aan.
»Dat gaat u vóór, jongens!"
»De roover betaalt beter dan de Staten, hij geeft ons do
schoten met rente terug."
En de waarheid der lixatste opmerking werd ten koste des
sprekers bevestigd, want in den volgenden oogenblik stoi'tto
hij neder en zijne beide buren met hem. Een zucht, een vloek,
een »God, ontferm u!" was alles wat men hoorde, en drie rede-
lijke wezens waren geweest!
Men hoorde het tor nauwernood, want het gebulder van het
geschut, het gekraak van masten en zeilen, het gejuich, het