Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
op de glinsterende oppervlakte van rol hadden gewisseld. De
vervolgde scheen de aanvaller te zullen worden; Harbarts hand
gaf het teeken en het seinschot viel van het Hollandsche boord.
De vreemdeling beantwoordde het door het plotseling ophijschen
eener bloedroode vlag, in welke een gouden dolk boven een
omgekeerden beker en een gebroken verkeerbord geplaatst was.
»Houdt ugoed, jongens! Voor de Staten en Prince Mouringh?"
riep Harbart tot zijn scheepsvolk, en de luide toejuiching, welke die
weinige woorden vergezelde, werd eensklaps door eene doodsche
stilte gevolgd. Doch het was niet de stilte der verslagcniieid,
de naam des Allerhoogsten werd in den gebede aangeroepen.
»Amen!" klonlc het en, om de uitdrukking van een onzer
Historieschrijvers te bezigen, daarna dronck het scheepsvolk
nialkanderm den dromk der ghetrouwigheijt toe, en seijlde lustich
naar synen vijandt.
»Sa, Trompetter!" beval Harbert, »blaas luide ons Wilhelmus:
liij wete, met wien hij te doen heeft."
Onwillekeurig paarden zich de stemmen der bootsgezellen aan
de schetterende tonen van het speeltuig, en het vaderlandsch
gezang weerklonk over de golven der Ethiopische Zee. Het
roofschip was nog altijd op genoegzamen afstand, om elke los-
branding des geschuts vruchteloos te doen wezen; maar de
blikken der matrozen teekenden hun ongediüd de ontstoken lont
nog niet te mogen bezigen.
»Heinsz!" riep de bevelhebber den luitenant toe; de jongeling
voegde zich bij hem.
»Indien ik sneuvelen mocht. Jonkman! ge kent uw plicht en
weet, waar nüjne orderbrieven liggen, maar ik heb eene bede
als vriend. Mijn jongsken" —
»Hier is mijne hand. Kapitein! hij zal in mij een vader vin-
den ; doch die roover is driemaal zoo zwaar gewapend als wij!
Het is misschien de Engelsche duivel Warde, of onze ver-
vloekte Simon de Danser; indien ook ik'er niet van —" »Dan
zal Marten zich zei ven redden," sprak de knaap, wiens groote
óogen even veel openhartigheid als heldenmoed teekenden, »doch
de Heer zal mij genadiger wezen, dan u zoo vroeg weg te
nemen," voegde hij er bij, die geloovig opslaande.