Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
nant Heinsz; gindsche éénoogige grijskop zijn stuurman; dat
knaapje, dat zich vermetel op den uithoek geplaatst heeft, is de
zoon des bevelliebbers.
»Ik kan waaraclitig niet zien, dat de roover nadert," sprak
de vóórlaatste tot den Kapitein, den blik op het schip gevestigd
lioudende, hetwelk alleen het eentonig gezicht, dat lucht en
golven aanbood, afbrak.
»Wat, rouwe Gijsbert!" antwoordde deze, den pekbroek met eene
dier vertrouwelijke benamingen aansprekende, in die dagen niet on-
gewoon, en van welke de deftige Geschiedenis moijen Boer,
lange Hendrik en mooi Lambert bewaarde; — »kunt ge
niet zien, dat hij, nu de wind in zijn voordeel is, alle zeilen
bijzet om ons op zijde te komen? — Knaap, reik mij den kijker!"
»Hm! Hm!" mompelde de stuurman, aan de liaren van zijn
grauwen baard trekkende, »toen ik bij den Admiraal van Yeere
scheep kwam, wist men niets van die verspieders; maar Jakob
Simonsz. zei honderdmaal, dat liet ééne öog van rouwen Gijsbert
scherper zag dan een valL"
»Hij komt, hij komt!" riep liet jongsken, terwijl zijn vader
door den voortreffelijken kijker tuurde, welke deze van Jacob
Metius te Alkmaar gekocht had; »zie. Meester Gijsbert! eerst
was hij onder liet wolkje, nu is het achter hem!"
»De droes! zouxlen dë jaren het doen?" mompelde de oude.
»Dat Pieter Claes Rochnssen bij ons ware!" zeide de Luitenant,
»de Luipart is nauwelijks tegen hem opgewassen, en onze Bare —"
»Hij schijnt lust te hebben te onderzoeken, of wij al ons kruit
bij Gibraltar verscliotenviel Harbert in, en gaf de vereischte
bevelen, ten einde den vreemdeling, zooals hij het verdiende,
te ontvangen.
Intusschen naderdo het schip inderdaad, en toen zijne witte
en bruine zeilen meer en meer zichtbaar werden, geleek het in
zijne vlugge vaart een roofvogel, die gereed is op zijne prooi
neder te schieten. Een bijgelooviger volk dan de Hollanders van
dien tijd zou het voor een betooverd vaartuig hebben aangezien:
er vertoonde zich geen menschelijk wezen op het dek; en echter
getuigde elke wending van eene meesterlijke hand, die zijne
richting bestuurde. Het was bijna, of die beide eenzame zwervers