Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
MAARTEN HARPERSZ. 1607-1609.
Wat moed in zulk een teedre jeugd.
.lonkvrouw J. C. de Lannoy.
I.
Het was een tooneel, het penseel van een Schotel waardig,
die onmetelijke zee, slechts aan de eene zijde in het verre ver-
schiet door de Afrikaansche kust begrensd, op welke twee
schepen sinds een paar uren een schouwspel aanboden, naar
een strijd van de wilde monarchen der woestijnen van dat
werelddeel zweemende. Het koninklijke van den leeuw viel in
het eene vaarttüg niet te miskennen, de aard van den tijger
kwam in elke beweging van het andere uit. Terwijl de houding
van het scheepsvolk op het dek van het eerste een vurig ver-
langen naar den strijd verried, en de bevelen van diens Kapitein
bewezen, hoezeer hij wenschte den wijkende in te halen, scheen
liet tweede de vervolging te willen ontsluipen, maar trachtte
inderdaad slechts het voordeel van den wind te hebben, om te
zekerder te overwinnen. AUe aarzeling, aan boord van welk der
beide schepen wij ons zullen begeven, houdt op, nu wij bij het
middagzonnelicht van den hemel, dat bijna loodrecht op de
blinkende golven en liet even blinkend zand der Guineesche
kust nederdaalt, op het eerste de Prinsenvlag aanschouwen.
Ongeveer veertig jaren vóór het door ons geschetste oogenblik
liad de Vader des Vaderlands haar, door zijn ridderlijken broe-
der, bij Heiligerlee voor het eerst doen ontrollen. Ongeveer
veertig dagen vroeger, had Jakob van Heemskerk haar voor het
eerst op den erfvijand van den Staat, op zee doen zegepralen.
Laat ons de groep op den achtersteven van dat schip gade-
slaan. De hoed met de pluim, de bonte sjerp, het groote zwaard
doen ons in een man van middelbaren leeftijd den bevelliebber
vermoeden; van Jleteren noemt hem Harbart Martssen, Capiteyn
van de Bare, een schip tot die der Admiraliteyt van de Maze
behoorende. Die jongeling in den bloei zijner dagen is de Luite-