Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
Terwijl ik kleum in baai en bont.
't Xeemt voor de grap een proef gewis,
Waar 't warmer »thuis" of »buiten" is.
"Wij eten warm en drinken heet, —
En tochtvrij maken we eiken reet;
Als hout en turf ons niet meer baat,
AVij vragen coaks en steenkool raad.
Xog rillen wij. Het liefst is ons
Te luiren tusschen dek en dons.
En wat, wat is der armen deel?
Een schrale pot en zelden veel;
Een luchtig vuurtje, zoo hij stookt,
Dat weinig Avarmt, maar machtig rookt.
Een leger, harder dan een wal.
De dekens, kort en dun en smal.
Dat ame volk! En kijk die twee:
Zij wurmen met zoo'n zware slee;
Dat moet toch, hoe de wind ook snij,
Hoe fijn en snerpend koud het zij, —
Dat moet met bibberende leèn,
De Hemel weet, hoe ver nog heen.
Hei, hola mannen, legt eens aan,
En laat vooreerst uw vracht maar staan.
Komt in, en ben je koud en stijf,
"Warmt aan mijn kachel u het lijf,
En ben je weer ontdooid en reê,
Xeemt dan uw portie warmte mee I
Daar zijn ze. Hè, wat wordt het frisch,
Of nu de vorst al binnen is?
Hou dicht de deuri Maar heb ik wèl,
Dan is bij hen geen kou in 't' spel:
Ik zie hen warm en welgedaan.
Als ware 't zomer, vóór mij staan.