Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
25
binden — omdat zij 't niet kunnen laten. De rijkdom grijpt
haastig de gelegenheid aan om zijne pracht van paarden en
narren, van zijde, fluweel en bont ten toon te stellen. In menigen
rondslenterenden kerel ontwaakt de baanveger of de koopman
van »hiet ende warm." Er is ééne provincie in ons vaderland,
die door eene omwenteling in geen grooter ontroering kon ge-
bracht worden, dan thans door het ijs, waar alle doen en den-
ken opgaat in schaatsenrijden, vliegensvlug en uren, uren ver.
Er zijn nadenkende, gevoelige zielen, die onder 't zweven over
de spiegelgladde baan zonder inspanning of moeite zich losser
voelen van de aarde, vrijer van het logge stof. Allen worden
meegesleept en opgebeurd door ééne feeststemming; en de
Nederlandsehe Brester's en Bogaers'en grijpen naar de lier —
hier is de winter huisvriend!
Wees ons gegroet, gij vriendelijke winter, zenuwsterker, zorg-
verdrijver, zielverblijder, eerlijke ziel, man van karakter met
uw krachtigen handdruk! Indien gij maar niet boos wordt, als
wij straks gaan verlangen naar de dagen, wanneer het weerglas
dertig, veertig graden zal teekenen.
S. Gorteü.
(Een jaar levens voor de dagbladpers. Amsterdam, G. L. Funke ei%
P. Van Santen.)
KOUD.
Foei, foei, wat ziet het buiten guur!
Doe nog een schep of wat op 't vuur,
De kachel — neen, voor brand geen nood
Ze moet aan alle kanten rood;
Ik zit er bijna op en toch,
Ik voel de kou van buiten nog.
Hoe houdt men 't in zoo'n hut toch uit?
Hier tocht het door de dubble ruit;
Het kind loopt in een kieltje rond,