Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
24
dat zij het linnen stijf bevroren heeft binnengehaald; dien nacht
reeds trekt deze en gene koude neus zich achter de bescher-
mende verschansingen zijner dekens terug.
Daar is de winter gekomen en met hem, welk eene verande-
ring! Het is licht geworden in de natuur, licht ook in de
huizen, licht ook in vele zielen der menschen. De mannen van
handel en nijverheid, de groote macht in staat en maatschappij
onzer dagen, hebben genadiglijk hunne toestemming gegeven tot
eenige weken vorst; na zekeren tijd van stilstand in de zaken,
gedurende het doode seizoen, beginnen zij met te grootere leven-
digheid weder, zeggen zij. Wij overigen, zonder nevengedachten
<lan de hoop op fraai ijs, halen hem binnen met gejuich en
troosten er ons mede, dat, als de vorst nijpen mag, de barm-
liartigheid te luider zal roemen.
Middelerwijl gaat de winter zijn gang en zet zijn werk voort.
Een waar tooverwerk! De boomrijke heuvelen van meer bedeelde
landstreken hebben in den regel aan zich zeiven en een enkel
zonnestraaltje genoeg — het echt HoUandsch landschap kan niet
buiten den winter. Zelfs dat bij uitstek droevig tafereeltje van
straks — gij herkent het niet meer. Gij rilt niet meer bij 't zien.
Het komt u niet meer van God en menschen verlaten voor.
Maar dan het bosch! Die bruine, met dennenaalden bezaaide
grond, hier en daar met sneeuw beplekt; de afhangende, breede
takken der donkere sparren onder eene blanke vacht nog dieper
gebogen: de fijne berkentakjes met eene kristalkorst omtogen,
waarin het zonlicht duizenden lichtjes doet fonkelen; liet ver-
scliiet tusschen de boomen; over hei en golvend duin het
karmozijnen neveltje van den winter — o God, wat is uwe
schepping schoon!
En de zielen der menschen springen op — in de kleine
jongens met roode neuzen, ti-anende oogen, maar lachend gelaat
en tot zelfs in de oude mannen, die nog eens de scliaatsen aan-