Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
2:5
verto zich uitstrekkend tusschen eene vaart links en ondergeloo-
jjen weiland rechts. Waarmede hebben wij hier te doen; met
schemering van boven? met aarde of met water beneden?
3Ielancholiek steken hier en daar een paar Jiekpalen nit de
watervlakte: waar de bodem door eene gelukkige omstandiglieid
rees, (laar hebben zich eenige schapen verzameld en een paard
dik in de wintervacht, maar met iederen stap in den weeken
bodem vertrappen zij hunne eigene weide. Boerenhuizen staan
liier en daar op hunne erven, als op eilanden in den waterplas,
en 't is gelukkig, dat gij daar wel eens aan den warmen,
blinkend geschuurden haard, in droge, welverwarmde, van
welvaart en allerlei levensgemak getuigende kamers, bij een
overvloedigen disch hebt aangezeten, anders zoudt gij, van
uwen dijk nederziende, bezwaarlijk anders kunnen denken, dan
dat men daar met iederen tred liet water door de naden van
den vloer zag zijpelen, dat de bewoners er zooveel als schim-
melplanten of paddestoelen moesten wezen en o]> zijn best eene
soort van kikvorschen . . .
In dien tijd is dit ons land boven beschrijving plat, leelijk,
doodelijk droefgeestig. Of het dan daarom ongezond is met zijne
kille vochtigheid, durven wij nog niet beweren tegenover het
gezag van zoovele deskundigen in, die stijf en strak volhouden,
(lat bij wind en regen, al hoestende en kuciiende, de echte
Hollander het gezondst leeft. . . . Maar zielen, die een weinig
met de natuur medeleven, voor wie een zonnestraal zooveel is
als een hemelsche groet en glimlach aan liun adres gericht,
die gewoon zijn met de schepping om lien heen als mede te
klagen, te treuren of te juichen, zij kimnen in de lange sche-
meringen van een mistigen, regenachtigen, Hollandschen, open
winter de veeren wel diep genoeg laten hangen.
(roddank, oj) zekeren dag, nadat het den ganschen morgen
nog geregend lieeft, daar heldert met den namiddag het weer op.
Er zijn nog wolkjes, maar zij schreien niet — zij zien hoog,
hoog uit de lucht vriendelijk naar beneden. Het is stil in de
natuur, als wachtte zij op wat nieuws. Het windje glijdt naar
het Oosten: tegen den avond komt de dienstmaagd binnen met
het bericht, dat de lilauwe steenen der stoeji wit opdrogen en