Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
24
De Zuiderzee was een bevrozen plas en droeg paard en wagen.
Op het einde vertoonde haast niemand zich op straat. Zelfs de
lust tot schaatsenrijden was vergaan en de ijsbaan verlaten.
Men vond de ten gevolge van zooveel pretjes reddeloos uitge-
putte beurzen aan de stijlen der ophaalbruggen gespijkerd. Men
at paaseheieren op het ijs ... .
Tegen zulk een winter ziet onze jonkheid m.et eerbiedigen
schroom op.
Intussclien, al mocht deze winter ook niet ouderwetsch blijken
te zijn, niaar afgesneden worden, eer hij tot dien rang kon
komen, wij zullen hem in dankbaar aandenken houden. Wel
beschouwd, gaat het met die hooggeroemde winters toch ook
niet anders dan met zoo menige grootheid op aarde: hunne faam
blinkt alleen op den afstand van tijd en ruimte.
Van dichtebij . . . hebben ze zekere eigenaardige lasten en
mikken, die eene onverdeelde bewondering moeilijk maken. Bij
een ouderwetschen winter behooren eigenlijk een ouderwetsche
turfzolder, eene ouderwetsche vleeschkuip, een ouderwetsche
voorraad spek en worst in den schoorsteen en meer dergelijke
zaken, waarbij het »ouderwetsch" de gedachte voegt van degelijk-
heid en overvloed. En denkt men nu aan de velen, die ouder-
wetsch of niet, in tochtige woningen met hunne brandstof en
him dagelijksch brood moeten sukkelen van den eenen dag op
den anderen, leven van de hand in den tand, dan verliest zoo'n
hooggeroemde ouderwetsche, die alle behoeften en ontberingen
dubbel sterk doet gevoelen, veel van zijne aantrekkelijkheid.
Wij hebben in elk geval reden genoeg om in den winter,
dien wij beleven, dankbaar te zijn. Een winter als deze komt als
een weldoener en een goede engel in een land en een klimaat
als het onze. Wat kan het er bij open winters onuitsprekelijk
treurig zijn! En wat duurt zoo'n open winter lang! Wie dan in
den kouden, eentonigen nevel sommige onzer provinciën door-
reist, dien dreigt de doodskilheid soms om het hart te slaan.
Tien tegen een, dat hij zich op een dijk bevindt, in onafzienbare