Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
WINTER.
Deze winter heeft ongetwijfeld eigenschappen, die in later da-
gen als aanspraken op ouderwetschheid zidlen kunnen gelden.
Hij is op den gewenschten tijd gekomen; in den tijd der lange
nachten vóór Kersttijd, als het anders bij somber weer en gedekte
lucht den ganschen dag niet licht wordt, is hij gekomen met
zijne heldere, vriendelijke dagen; de modderwegen op het
punt van grondeloos te worden, heeft hij hard gemaakt, de
straten der mistige steden, altijd nat en glibberig, opgedroogd.
In de dagen omstreeks het Kerstfeest, ziet ieder vriend van
den winter naar den hemel op, of hij zijne voorboden ook be-
speurt en rekent in den almanak den stand der maan uit — en
ziet, in die dagen is hij gekomen. De altoos terugkeerende hoop
op een mooi kerstfeest heeft hij van zijn kant glansrijk vervuld.
Zijne komst was, als die van een »ouderwetsche" behoort te
zijn, een ernstig optreden, 't "Was geen ongedurig dralen, geen
behaagziek spel van beloven en uitstellen, maar »meenens" van
den aanvang af. Op een mooien morgen bleek het, dat hij beslag
gelegd had op alle meren, plassen en vlieten en ze met zijn
zegel liad verzegeld . . . reeds stonden de kraaien erop en geen
half uur later, dat ziende, de jongens ook. En meenens is het
gebleven, nu vier weken lang, ernst, doorzettende, maar vrien-
delijke ernst. De maan mocht wisselen en, naar de meening der
schippers of der geleerden, al of geen invloed trachten te oefe-
nen, de wind mocht afdwalen van Oost naar West, soms mocht
het een hal ven dag dooien, een half uur regenen zelfs, de winter
bleef en maakte zich elke gelegenheid ten nutte om de banen
effener en gladder te maken. Hij liet er niet meer sneeuw over-
komen dan voor 't gerief en 't fatsoen der baanvegers noodig
was, weerde zorgvuldig allen harden wind van de schaatsen-
rijders en zorgde, als 't kon, voor een zonnetje . . .
"Voorwaar, verdiensten genoeg!
Jlaar »ouderwetsch?" Wij weifelen. Ouderwetsche winters had-
den het ijs ter dikte van een »verreis" botervat in het water. Kraaien
en musschen vielen plotseling dood uit de stille lucht neder.