Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
halzen en gieren wordt. Daarom noemt de Arabier hem ook
»Yader Job" en »Vader van het harde gesteente". En men zie
het geduldige dier geknield nederliggen om beladen te worden.
Men zie, hoe het zich opricht, moeielijk als eene machine.
Het lichaam bestaat bijna geheel uit beenderen, pezen en banden
en is in staat groote lasten te vervoeren. De drijvers roepen
hun Eh, en nu zeilt het zonderlinge mengsel van rund en hert
en schaap, als het schip der woestijn, daarheen. De lange
struisvogelhals, waarmede hij de kleinste distel bereiken kan,
steekt recht vooruit, maar voorop zeilt, als eene loodsboot, de
rechtuit gehouden kop, die in de maat der schreden op en
neer wiegt.
De karavaan trekt in breede rijen voorwaarts, eerst de ka-
meelen, dan de drijvers. Wel voeren de laatsten eene zweep,
doch zij behoeven geen slag te doen: slechts met woorden be-
sturen zij het groote dier, en willen zij den afgematten drager
aansporen, dan heffen zij een zwaarmoedigen, eenvoudigen
beurtzang aan, die nauwelijks muziek geheeten kan worden.
Maar de kameel hoort hem met genoegen; hij steekt den kop
luisterend voomit en sneller schrijdt hij door de woestijn. Niets
is gelijkmatiger en vaster dan die gang; doch nog opmerkelijker
is liet geringe gedruisch, dat hij maakt. De zwaar bevrachte
dieren naderen bijna onhoorbaar, want hun stap is niet luider
dan die van den naakten voet van een mensch. Zoo legt het
trouwe dier weken aaneen, zonder rustdag, den moeilijksten
weg af, beladen met een last van vijf tot acht centenaars; en
met welk armzalig voedsel! Een paar dorre distels, al loopende
geplukt, en in gunstige gevallen nu en dan eene handvol
twijgen eener mimosa '). De kameel kauwt de harde doornen,
afsof het bladeren waren. Zelfs al vindt men overal bronnen op
een weg, toch worden de kameelen niet eens alle avonden ge-
drenkt. De karavanen uit het westen van Afrika trekken door stre-
ken, waar men in acht of tien dagreizen geen water vindt, maar
de kameel alleen brengt den mensch toch door die streken heen.
') Tropisch gewas, tot welks geslacht ook ons kruidje-roer-mij-niet
behoort.