Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
DE KAMEEL.
De kameel, een naam, van het Arabische woord dsjacmmeï
afkomstig, is met recht aan het hoofd van de orde der herkau-
wers geplaatst, ofschoon hij in vele opzichten van de andere
herkauwende dieren afwijkt, en Avel vooral in zijn gebit. De
kameel is een der merkwaardigste dieren der geheele aarde.
Hoe weinig hij ook den naam van een fraai dier kan verdienen,
en hoe lomp en onbevallig hij er uitziet, de kameel alleen zou
in staat zijn, om den zinnelijken mensch de overtuiging op te
dringen, dat de schepping en ordening der wereld een Averk
der Goddelijke Voorzienigheid is; want er is geen dier, waarbij
de bestemming van elk schepsel tot een bepaald doel zoo dui-
delijk blijkt. De Egyptenaar rekent het tot de drie weldaden
van zijn zonder palmen, Nijl en kameel onbewoonbaar land, en
de Arabier noemt den kameel het schip der woestijn. En inder-
daad , zonder dit dier zouden de planten- en regenlooze streken,
die zich over het tropische Afrika en Azië als een gloeiende
gordel uitstrekken, voor den mensch voor altijd ontoegankelijk
gebleven zijn. Zoo dor en onvruchtbaar de landen zijn, die den
kameel door de natuur tot woonplaats worden aangewezen, zoo
gehard is ook zijn lichaam, zoo weinig eischend is ook zijne
natuur.
Honger verdraagt hij langen tijd, en nog langer dorst, en zijn
vleezige voet, die op vochtigen, weeken bodem glijdt en moeie-
lijk steenharde bergen beklimt, schrijdt met bewonderenswaardige
gelijkheid en lichtheid over de zandvlakte, zonder er in te ver-
zinken. Zijn instinct leidt hem door de wildernis, hij vindt het
spoor te midden van zandheuvels, die zich eeuwig verplaatsen,
zijn reuk bespeurt op groote verte den damp des waters, zijn
oor hoort den roover, die 's nachts om de karavaan heen sluipt,
zijne maag bewaart het voedsel voor den dag van gebrek. Hij
is geschapen om te ontberen en te dulden. Zoodra de jonge
kameel slechts even volwassen is, wordt hem de zadel opgelegd,
en nu brengt hij zijn leven door, lasten dragende en zwoegende,
tot hij eindelijk afgetobd ter aarde stort en eene prooi van jak-