Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
12
gebons op de Turksche trom — -wat doen ze toch in vredes
naam ook met zoo'n heidensche machine bij een fatsoenlijk
Muziekgezelschap — en Mina en Jakob, die tegenwoordig boven
achter slapen, ze hooren 't ook en vliegen me zoo maar in het
nachtkostuum en barrevoets naar de voordeur. Ik schel om
Geertje — want, doordat het hier zoo in de buurt was, dacht
ik, kon er nog wel eens een van de kennissen bij ons komen
inloopen, en daarom wilde ik, dat Geertje even zou wiegen,
dan kon ik middelerwijl een schoonen kraag omdoen: —
maar ik had goed schellen, Geertje dat ondeugend ding, was
ook reeds gevlogen — natuurlijk ook al naar den overkant,
naar de muziek.
ÏTu, ik was blij voor den ouden dokter, want ik zeg maar
altijd: een mensch is geen jjlank, en als men zijn best doet,
wil men ook wel, dat dit bij gelegenheid eens erkend wordt;
en wat Van der Horst betreft, de man had dubbel en dwars
verdiend, dat ze hem eens verheerlijkten; maar, de satisfactie
van den dokter nu daargelaten, dan zeg ik op mijne beurt, dat
zoo'n serenade aan je eigen huis te ontvangen, voor de liuis-
vrouw alles behalve aangenaam is. Ze hadden dien eigen dag
bij den dokter juist het voorhuis geschrobd en daar liepen zij
nu maar uit en in, en aan eene mat werd niet gedacht, neen,
dat liep maar zoo in éénen door van de natte straat de voor-
kamer binnen. En daar moest in een oogenblik wijn en gebak
wezen, en ééne van de meiden was nog ziek op den koop toe,
en eene noodhulp hadden ze niet. Do commissie, die binnenkwam,
bleef ook nog al wat, en de schoone gordijnen moesten maar,
of er eene verkeerde plooi in kwam, dat deed er niet toe, hoog in
top gehaald — ik zeg maar, 't was geen benijdenswaardig hapje!
Per slot van rekening kreeg ik nog knorren van manlief,
want we zouden karnemelk eten — ik doe dat eigenlijk meer
om de kinderen, dan om ons zeiven, want Anton en ik, wij
houden er niet zooveel van, en daarenboven, 't is nog al een
pot, die gedurig toezicht vereischt, — maar, zooals ge licht kunt
nagaan, de brij was aangebrand, doordat Geertje naar de serenade
geloopen was, en daar kreeg ik natuurlijk de schtild van, enz.