Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
127
trekkelijks te hebben en ook nu laat zieh het eeuwige liedje op
zijne zorgelooze lippen evenmin door den wind wegblazen als
de gasvlam. Maar heden avond is het hem toch bar genoeg en
lüj rept zich voort oni onder dak te komen.
Plotseling houdt hij stil met een: »wat zeg je?" Links van
hem, ergens in de diepte, op den hoek van het pothuis, heeft
hij een gekreun vernomen. »Och! mijn lieve Meneertje."
Ook heeft hij iets zich zien bewegen, 't Scheen wel, dat er in
dien hoek eene mand met vodderijen stond, indien men dien
vormloozen hoop lompen en doeken ten minste een naam wilde
geven, maar thans heeft er zich iets uit losgewikkeld en afge-
scheiden! — »Ach, mijn lieve Meneertje."
Mijn vriend Jurgens staat stil; zóó diep droevig, zóó wan-
hopig weemoedig een toon heeft hij nog nooit vernomen. — »Wat
zeg je?"
't Hoopje lompen, dat zich afscheidt, blijkt een kind te zijn,
een meisje van een jaar of vijf; de grootere hoop, die in den
hoek opgetast blijft, word voorondersteld de moeder te wezen,
van welke zich, als 't noodig is, nog wel een ander vormeloos
hoopje, een wicht van anderhalf jaar kan loswikkelen. Maar
't is niet noodig ditmaal bij onzen goedigen reus, en de hoop
blijft verder in zijn geheel.
Op zijne vraag ontspint er zich tusschen vrouw en kind een
beurtzang vol ellende. Een vader, sinds maanden bedlegerig;
kinderen door koorts uitgeput; geen brood sinds drie dagen,
geen vuur, geen licht: neen, het kleine wicht in reserve be-
hoefde niet op te komen om vriend Jurgens, den. reus, te
vellen. — »Wel!" zegt hij, en hij krabt zich achter 't oor. (Wat
ziet dat kind met haar melancholiek gezichtje er allerliefst uit).
»Och Heere," zegt hij en zijne hand grabbelt reeds in den zak.
AVat zij er uit ophaalt, verklappen wij niet. Vriend Jurgens'
kleingeld is, zonderling genoeg, altijd op, of niet te binden,
wanneer hij fooien te geven of bedelaars te woord te staan
heeft. Zoeveel weten wij, dat al de zegeningen van aarde en
hemel, van tijd en eeuwigheid op den zalvendsten toon over het
hoofd van het »Lieve Meneertje" worden iiitgeroepen. Met een.
»nou ja! dat weten wij al lang" stapt het Meneertje van zes