Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
126
dommelijke uitdrukking van iemand, die zich aan het smaken
van lekkere spijzen verwacht.
Op dit uiterst oogenblik komt een jager te paard in vollen draf
aangerend en zegt eenige haastige woorden tot den generaal.
Onmiddellijk ontstaat het geroffel der trom, die elkeen te wapen
en in zijn gelid roept. Het Hollandsche leger is in onze nabij-
heid; wij zijn achthonderd, zij waarschijnlijk tienduizend of
meer. Daarenboven, wij mogen niet strijden; onze bevelen luiden,
dat wij den vijand moeten pogen te ontkomen, om ons te Leu-
ven met het leger onder bevel des konings te vereenigen. . . .
Er is geen tijd tot beraadslagen: de ketels worden omgeworpen;
sommige mannen -steken een brok vleesch of eene kool op hunne
bajonet; doch het ziedend water, dat hun in den hals of op
hunne kameraden druipt, doet hun het geredde voedsel weg-
smijten; de oversten dwingen de compagnieën tot een spoedig
vertrek ... en eenige minuten later zijn wij verre van daar,
op de baan naar Aerschot, nog immer mijmerend aan het warme
eten en de lekkere vleeschsoep, die onder ons gezicht over den
grond is weggestroomd. H. CoNsciEifCE.
(De Omwenteling van 1830. 's-Gravenhage, Leiden, Arnhem, M. Nij-
hoff, A. W. Sijthoff, D. A. Thieme.)
'S WINTERSAVONDS,
't Is winter. De avond is guur en donker; eene vochtige kou,
half mist, half regen, spot met overjas en warme onderkleeren
en dringt tot het merg der beenderen door. De fladderende gasvlam-
men geven slechts hier en daar een onzeker licht en dat nog
bij vlagen, al naar de oproerige wind het gedoogt. Met schreden
zoo groot als zijne lange beenen het hem veroorloven, schrijdt
mijn vriend Jürgens langs de gracht. Hij is voor geen kleintje
vervaard: eene worsteling met wind en regen, eene wandeling
in ruw weer, waarbij hij zich verbeelden kan met de elementen
te kampen, plegen voor den goedigen reus iets bijzonder aan-