Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
124
Reeds had een mijner makkers de boterham aanvaard en
meende er een stuk af te bijten; maar de anderen hielden hem
met geweld terug en deden hem het geringe stuk brood in den
zak werpen.
Door een diep medelijden met de ongelukkige moeder aange-
daan, wilde ik haar de boterham doen teruggeven. Te vergeefs:
het spreekwoord is waar: hongerige magen hebben geene ooren.
Dan vatte ik de hand der vrouw en vroeg haar, of zij in een
naburig dorp, voor geld geen brood zou krijgen.
Op haar bevestigend antwoord staken al mijne makkers de
hand in den zak; de meesten gaven elk een stuk van vijfen-
twintig eenten; eenigen gaven iets minder, ik gaf iets meer,
en zoo kreeg de arme vrouw omtrent vijf franken. . . . Tranen
ontliepen haar nu nog overvloediger; het was van dankbaarheid:
hare stem klonk den weldadigen stroopers zegenend achterna.
Onderweg maakten mijne gezellen een complot aangaande den
boterham; zij werd gedeeld; wij kregen ieder een stuk zoo groot
als een vinger.
Op het bivak werden de drie roggebroooden eerst met sabel-
houwen in groote brokken gehakt en dan verder met messen
gesneden. Yan den kapitein tot den laatsten soldaat elk bekwam
er iets van.
Den 10®° Augustus, in den namiddag, gingen wij voorbij de
wijnheuvels van het dorp "Wesemael, op ongeveer anderhalve
mijl van Aerschot. Hier vonden wij vele karren met brood en
vleesch, die ons tot voorraad waren bestemd.
Men hield het regiment staan, en brandwachten werden op
groote afstanden uitgezet, alsof wij ter dezer plaatse op bivak
zouden blijven; de weinige ruiters te paard, die ons van Turn-
hout af hadden vergezeld, werden op hoogten en op verre
banen gezonden, om alle nadering van gevaar in tijds te kun-
nen vernemen.
Uit elke compagnie riep men eenige stoute mannen te zamen;
deze zouden naar Vesemael gaan en halen wat er noodig is tot
het koken van vleeschsoep.
Xa een half uur tijds stond voor iedere compagnie een groote
koeketel, op steenen verheven met water gevuld. Men hakte