Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
123
afgegaan; want wij vonden onderweg pompons ') en andere
kleine dingen, die onze vijanden al gaande hadden verloren.
Op een middag hield men ons staan in de nabijheid van een
dorp, — ik meen, dat het Boisschot heet, —• waar nog het
stroo lag, dat den Hollanders tot nachtleger had gediend.
Uitgeput van vermoeidheid en van honger, lieten wij ons op
een veld nedervallen om te rusten; wij hadden daags te voren
weinig voedsel gevonden en van dezen dag hadden wij nog
niets gegeten.
Mij werd bevolen, dat ik met een tiental mannen van goeden
wil naar het dorp zou gaan, om nooddruft voor onze compagnie
te zoeken en, met dank of met geweld, te nemen wat er te
vinden was.
De stoutste en ruwste vrijwilligers boden zich aan. Toen wij in
het dorp kwamen, waren de inwoners gevlucht; wij braken de
deuren met kolfslagen open, doch ontdekten niets, dat eetbaar was.
In het midden van het dorp vonden wij een man en eene
vrouw, die hun huis niet hadden verlaten. Op onzen eisch om
brood of ander voedsel te hebben, antwoordden zij ons klagend,
dat de Hollanders daags te voren aUes hadden weggenomen.
Mijne vrijwilligers, door de wanhoop des hongers gedreven,
begonnen den man met het plat van den sabel te slaan en hom
met nog ergere behandeling te dreigen.
Na langen tegenstand leidde de verschrikte man ons achter
in den hof en groef daar uit den grond drie zeer groote rogge-
brooden, die in een zak gewikkeld waren. AVij namen de broe-
den mede en ook den zak.
Na vruchteloos nog vele ontruimde huizen te hebben door-
zocht, kwamen wij buiten het dorp in eene leemen hut, waar
eene jonge vrouw met een kind van drie of vier jaar zich bevond.
Op onze dreigende vragen haalde zij eene roggeboterham uit de
wiege van haar kind; en, ons die toereikende, zeide zij met
tranen in de oogen:
»Ziet! vrienden, dat is al, wat mij overblijft: ik had het bewaard
voor mijn arm schaapken."
') Kuifjes op soldatenschako's.