Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
122
ten bloede beten, er was niets aan te doen; wij moesten de
heide verlaten, terugwijken naar Turnhout en verder een door-
gang naar het binnenland zoeken, om, ware het mogelijk, aan
eene zekere nederlaag of gevangenneming te ontsnappen.
In goede orde, en nog gereed tot hevigen tegenstand, trokken
zij af naar Turnhout. De stad had het voorkomen van een graf,
geen levend wezen was er op de straten te zien; deuren en
vensters waren gesloten gelijk in het midden des nachts. Dit
vertoog deed een ongunstigen indruk op onzen geest, en het
was inderdaad niet aanmoedigend, al de inwoners dus gevlucht
of verkropen te zien, alsof zij, reeds vroeger dan dien dag, ons
onbekwaam hadden geacht om himne haardsteden te verdedigen.
In Turnhout bleef ons regiment niet stil; wij trokken de
Herenthalsche baan in en slingerden door bosschen, voetpaden
en veldwegen immer met versnelden marsch voort.
Het was uitermate heet: de oogstzon brandde on verdragelij k
boven onze hoofden, wij hadden eten noch drinken.
Keeds te Casterlee deed de feUe dorst het bevel der officieren
voor eene wijl miskennen. Er stond in dit dorp, in den hof des
pastoors, een groote appelboom, overladen met vruchten, die
slechts twee maanden later eetbaar zouden zijn. De boom werd
door honderden mannen bestormd, beklommen, gebroken en
ontbladerd. Jlen smeekte, men vocht om eene bete der wrange
vruchten .... De zure smaak, meende men, zou het branden
van den dorst koelen.
Zoo bleven wij acht dagen tusschen Lier en Leuven in de
grootste hitte dwalen, eiken dag tien of twaalf uren gaande
zonder voedsel en drank, en letterlijk verzengd door de hitte.
"VVij aten de schors der mastboomen en droegen voor den dorst
een geweerkogel in den mond; des nachts lagen wij op den
grond en verstijfden van den overvloedigen morgendauw.
Men zeide ons, dat wij nog altoos door de Hollanders inge-
sloten waren, en dat ons gaan en komen voor doel had aan de
vervolging des vijands te ontsnappen, om ons omtrent Leuven
bij het groote Belgische leger te vervoegen.
AVat hiervan zij, wij kwamen dikwijls op banen en in
dorpen, waar het Hollandsche leger ons inderdaad was voor-