Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
119
Deze aanmerkingen waren in hare soort zeer juist. Bijna alle
in Zuid-Afrika bekende dieren eten den sprinkhaan. Bij verschei-
dene volken van dit werelddeel ondergaan ze eene toebereiding,
voordat men ze eet, en de oude vrouw was dan ook den geheelen
avond bezig de door haar opgezamelde insecten gereed te maken.
Eerst werden zij gedurende een paar uren zeer kort afgekookt,
waarna men ze liet uitdampen en drogen, om er vervolgens de
pooten en de vleugels af te blazen. Daarna strooide men er een
weinig zout over. Ieder proefde eens van dit vreemde gerecht
en de kinderen vonden, dat het niet kwaad smaakte.
Midden in den nacht ging de boer nog eens naar buiten, om
naar den wind te zien; toen hij terugkwam, werd de deur ge-
sloten en langzamerhand geraakte ieder in de rust.
De boer zelf sliep wel het minst en was dus blijde, .toen de
eerste lichtstraal door het kleine venster in zijn vertrek drong.
Hij stond op en begaf zich naar buiten, om de treurige zekerheid
te krijgen, dat de wind naar het westen geloopen was en vrij sterk
waaide. Geheel terneergeslagen en moedeloos keerde hij huiswaarts.
Het was nu zoo goed als zeker, dat zijn oogst vernield zou wor-
den; alleen een koele of regenachtige dag kon hem redden.
. In beide gevallen moesten de sprinkhanen blijven, waar zij
waren, want bij koud of nat weder kunnen zij niet vliegen. De
wind zou in dien tijd kunnen omloopen. Helaas, ijdele wensch!
Vergeefsche hoop! Een half uur later kwam de zon met Afri-
kaanschen glans op en hare heete, schmns op het leger sprink-
hanen vallene stralen wekten de millioenen uit hun slaap op;
weldra verhief de zwerm zich en werd door den wind in de
richting gedreven, waar het land van den armen boer lag.
Twee uren achtereen duurde de tocht. Gedurende het grootste
gedeelte van dien. tijd was Van Dijk met zijne huisgenooten
bij gesloten deuren en vensters binnenshuis gebleven, om eene
onaangename aanraking met deze gasten te ontgaan; want als
de wind wat sterk is, vliegen zij den menschen soms zoo hevig
in het gezicht, dat men er nog lang een pijnlijk gevoel van heeft.
Na verloop van dien tijd ging Van Dijk eens naar buiten. Het
dichtste gedeelte van den zwerm was voorbij. De zon scheen —
maar niet meer op de groene velden en boomen! Er was geea