Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
117
Eenige minuten later was tle donkere nevel, die den blauwen
rand des hemels bedekte, niet meer te zien, maar op een af-
stand zag de vlakte er uit, alsof er een vuur over heen gegaan
was. Zij was geheel met de insecten bedekt, waardoor zij, zoo-
ver het oog reikte, een zwart voorkomen had.
Van Dijk dacht nu verder aan zijn vee, dat men nog, hoewel
onduidelijk, op de met sprinkhanen bedekte vlakte heen en
weer zag loopen.
»Laat de koeien nog maar eene poos vreten, baas," zeide
de oude vrouw.
»Waarom?" antwoordde Van Dijk, »ziet gij dan niet, dat de
weide geheel met sprinkhanen overdekt is?"
»Dat meen ik ook, baas; ze moeten nog eene poos sprinkhanen
vreten. Die zijn veel beter veevoeder dan gras," zeide de vrouw.
En waarlijk het vee verslond de sprinklianen met den grootsten
smaak, zoodat het waarschijnlijk veel moeite gekost zou hebben het
naar de kraal te drijven, indien niet het verwijderde gebrul van een
leeuw en het klappen van de zweep het een weinig gewiliger ge-
maakt had. Eindelijk lieten zij zich binnen de omheining opsluiten.
De oude vrouw voorzag zich van een zak en kwam weldra
met eene vracht sprinkhanen terug.
Jlen kan licht begrijpen, dat de arme boer een onrustigen
nacht doorbracht. Hij ging van tijd tot tijd eens naar buiten,
om zich te vergewissen, of de wind ook veranderd was.
Ook de andere bewoners der nedérzetting konden slechts nu
en dan een oog sluiten. Sten sprak bestendig met elkander, en
gelijk te denken is, over niets dan over de sprinkhanen. Onze
\Tiend Saul, de leeuwenjager, was met de natuurlijke geschie-
denis van deze insecten reeds bekend.
»Zij komen uit de woestijn," zeide hij. »De eieren, waaruit
zij voortkomen, liggen in het zand, totdat er regen valt en het
gras te voorschijn komt. Dan worden de eieren door de zon
uitgebroeid en het jonge insect voedt zich gedurende den eersten
tijd van zijn leven met dit gras. Zoodra dit verteerd is, zijn zij
gedwongen te verhuizen, om elders voedsel te zoeken."
»Ik heb wel eens gehoord," viel Eduard den jager in de rede,
»dat sommige boeren groote vuren rondom hunne landerijen