Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
113
liij haastig, »wacht, liier is de kruik: zeven kan olie om je te
dienen, en hier —" hij haalt de kaarsen uit de mand, »diie
pond zessen, en wel de complimenten van de baas, en dat hier
het brie^'e erbij was."
De heer Dadel prijst de gedienstigheid, waarmede de »jonkman"
hem de behidpzame hand biedt. ZEd. heeft nochtans geen het
minste verstand van olie en kaarsen noch van »derzelver" prijzen
en zal dus zoo vrij wezen de »kwietansje" te behouden, totdat
mijnheer Trommelstek, de »rezieseur-zoefleur" ten zijnent zal
gekomen zijn om het bedoelde briefje in diens handen te stellen,
ten einde in den loop van den dag de betaling te doen ge-
schieden. »Ik twijfel geenszins, jonkman, of de waren uws
meesters zuUen goed worden bevonden," voegt liij erbij: »en
gelieve ZEd. mijn vriendschappelijken groet te willen overmaken."
De Heer Elias wil, na den jongen allerminzaamst de hand
gedrukt te hebben, in zijne kamer terugtreden.
Jozef — zoo heet de jongen — wordt een beetje verlegen
met de zaak: hij draait aan den kwast van zijne pet en, op
het oogenblik, dat Dadel's tweede been binnen de kamer zal
verdwijnen, spreekt hij haastig, terwijl hij het waagt den man bij
zijne rechter hemdsmouw te trekken: »Ja, maar zie je, de baas
heeft gezegd: »Boter bij de visch, hoor; de rekening is vier
gulden vijftig, weet je, en de baas is een kwaaie, als ik het
niet mee thuis bracht, dan zou hij me eene maling van wat
ben je me schoppen .... vier gulden vijftig."
»En waar houdt men mij voor, dat een zoodanig bevel ia
medegegeven?" spreekt de heer Dadel, zichtbaar beleedigd, terwijl
hij een fieren blik op den jongen werpt; zoo fier, alsof hij
zegt: »Ik eisch voldoening. Mijnheer!"
»Ja, weet je, neem me niet kwalijk," zegt Jozef, die niet
zóóveel in den blik heeft gelezen: »voor mijn part kon je den
heelen boel present krijgen en den baas er nog bij, want zie
je, die liaalt een eerlijk mans kind het vel over de ooren. Als
ik vóór mijn achttiende jaar als heerenknecht kon dienen, dan
was ik al lang gedrost, maar morgen-brengen; al vinden ze ook
dat ik er wèl genoeg uitzie, 't is altijd hetzelfde liedje: je groeit
de livrei uit en — daar ga je mee naar huis toe."