Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
108
»Gezegend zijt gij, dierbaar kind,
Door God en de Eng'len vroeg bemind!
U -wacht eens 's Hemels gloriekroon,
Maar ook op de aarde 't heerlijkst loon.
Gezegend zij die kleine hand,
Die vroeg ellende en smart verbant,
Zij strooi', waar gij op aard zult treên.
Slechts balsemdrupp'len om zich heen!
AVat zij ook aanroert, ziekte of pijn
Zal voor die hand gevloden zijn!
Smaak zóó, terwijl gij vreugd verspreidt,
Van 't weldoen al de zaligheid!"
Hij kust het kind nog keer op keer;
Dit voelt van vreugd geen honger meer,
Maar huppelt blij en eens zoo vlug
Naar moeders kluisje in 't dal terug.
En klimmend op haar legerstee.
Deelt hij haar zijne ontmoeting mee.
En strengelt de armpjes om haar vast;
Zij drukt aan 't hart zóó lief een last.
En geeft het jongske zoen op zoen:
Wat sprak de zieke moeder toen? —
Zij weent en snikt van blijdschap luid,
En roept, hem weer omhelzend, uit:
»Wat frisch gevoel doorstroomt mijn bloed!
Ik heb weer kracht om op te staan
En met u naar het dorp te gaan.
Gij gaaft, geloofd zij God de Heer!
Uw moeder haar gezondheid weer!"
»Is dat nu waarlijk zóó geschied?"
Och, kleine wijsneus, vraag dat niet!
Hoe 't knaapje, toen het ouder was,
Een keizer, een prinses genas,
En schatten naliet, rijk en groot,
En nog bleef weldoen na zijn dood.