Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
107
't Is welkom, wat uw hand mij biedt!
Ik at vandaag en gist'ren niet.
'k Zie, in uw ving'ren glinstert wat.
Och, kunt gij 't missen, geef mij dat!"
Het knaapje voelt eens naar zijn maag:
Gezond en jong maakt dubbel graag.
En is hij al dat koper kwijt,
AVeg is dan 't brood, weg zijn ontbijt!
Dat warme brood! Alsof de geur
L'it 's bakkers open winkeldeur
Reeds prikk'lend in zijn neusje drong —
Zóó smakte 't knaapje met zijn tong.
Maar als hij 't-neergeslagen oog
AVeer naar den beed'laar hief omhoog.
Die daar zoo hong'rig stond en bleek.
Toen werd hem 't kinderharte week.
En met één zuchtje, met één sprong.
Die 't prutt'len van zijn maag bedwong.
Reikt hij het handje, en 't kopergeld,
Dat zulk een warm ontbijt voorspelt,
— Schoon hij van lionger watei-tandt —
Glijdt in des beed'laars maag're hand.
»God loone u!" sprak toen de arme man,
»Meer dan u de arme loonen kan!"
En ijlings over struik en heg
Smijt hij zijn stelt en krukken weg.
Zijn beed'laarspak, in lichtgewaad
Veranderd, blonk als zijn gelaat,.
En zulk een glans der majesteit
Lag over 't voorhoofd heengespreid,
Dat hij, daar statig aangetreên,
Een Heilige of een Engel scheen.
Hij hief het knaapjen aan zijn borst.
Dat nauwlijks hem meer naad'ren dorst.
En fluisterde met zoete stem,
Zijn lokken streelend, zacht tot liem.