Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
106
HET KIND EN DE BEDELAAR.
Hoe mat en krank door al haar leèn,
Lang hield zij 't slepend op de been,
Of liaar gezondheid keeren zou —
Margretha, de arme weduwvrouw.
Maar eindlijk zonk ze op 't leger neer:
De koorts nam toe, zij kon niet meer.
Eén kind slechts had zij. 't Was een zoon;
Twee roosjes bloeiden op zijn koon;
Zijne oogen waren vriendlijk blauw.
Twee korenbloemijjes nat van dauw.
En 't krullend haar was blond en zacht.
Gelijk de witste lammervacht.
»Mijn kind!" dus riep zij droef te moe
Het blij ontwakend knaapje toe.
Toen ze, afgetobd den langen nacht
Weer slapeloos had doorgebracht:
»Ik ben te ziek om op te staan.
En kan niet uit het hutje gaan,
Maar in de la ligt kopergeld.
Door mij nog gist'ren nageteld;
Neem dat, daar gij vast hong'rig zijt.
En koop u brood voor uw ontbijt."
Het knaapje, als altijd rad ter been,
Sprong hupp'lend naar het dorpje heen.
Ging zingend langs de dorenheg.
En telde 't geld na onderweg;
Maar aan de beek, bij 't molenrad,
Daar stond een beed'laar op zijn pad.
Gekromd van leèn en hoogbejaard,
Met kale kruin en zilv'ren baard.
Met houten stelt — zijn been was stuk —
En onder ieder arm een kruk.
»Lief kind," sprak hem de beed'laar aan,
»AVees met mijn droevig lot begaan!