Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
98
minder voedingsstof bevat dan het -svit. — Kon men nn liet bui-
tenste, minder rijke en altijd zeer harde buitenvliesje verwijderen
zonder het binnenste mede te voeren, dat zou zeker heel mooi
zijn; zoolang dit echter nog niet gemakkelijk kan, zal men ze
maar te zamen in het meel moeten dulden.
Of wel eene andere vraag: Gist, wat is dat? En hoe komt
het, dat daardoor het meel rijst?
Onze gist is niets anders dan eene massa microscopische
plantjes, nauw verwant b. v. met de seA/mwjeZ-plantjes. "Wel
behooren zij tot de minst ontwikkelde plantensoorten. Maar vol-
komen planten zouden het zich ook niet laten welgevallen bij
troepen tot een pakje gekneed en uitgedroogd te worden, om
dan later, bij warmte en vochtigheid, weer op te leven; even-
min als bij een fijner bewerktuigd dier ooit plaats heeft, wat
dikwijls genoeg met een worm gebeurt: dat namelijk, als men
hem in tweeën gehakt heeft, aan elk stukje het ontbrekende
weer aangroeit en er dus twee wormen ontstaan. — Die plantjes
nu hebben de eigenschap om, waar ze maar kunnen, eene zekere
gassoort, het koolzuur, te ontwikelen. Goed fijngemaakt en
alom door het deeg verspreid, vormen zij overal kleine hoeveel-
heden van dit gas, dat tracht te ontsnappen, maar wordt terug-
gehouden door het taaie, stijve deeg. Het hoopt zich daartusschen
op en doet het zwellen, en ons doel — het rijzen — is bereikt.
De hitte van den oven, waaraan het brood nu wordt blootge-
steld, vernietigt de gistplant, doet natuurlijk het gisten ophou-
den en verhardt meteen de wanden rondom de koolzuurbelletjes,
zoodat deze in het gare brood terug te vinden zijn. Dit ver-
klaart tevens, waarom het deeg bij het gisten niet al te warm
mag staan, en het water of de melk, waarmede men beslaat,
niet al te heet mag zijn.
(Brieven van een landmeisje aan jonge dames. Amsterdam, C. L.
Brinkman!)