Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
hij eindelijk eene alleenstaande hut, van eenige boomen, wier
truinen op lange, rechte en slanke stammen rustten, omgeven.
Groote, als vederen gespleten bladeren, deels rechtopstaande,
deels bevallig naar beneden hangende, kroonden op eene hoogst
sierlijke -wijze die statige zuilen en gaven aan 't geheel een
prachtig en liefelijk aanzien. De grond rondom de hut was
echter volkomen onbebouwd, en er was geen spoor van kuituur
te zien. Het gezicht alleen van dit verkwikkend lommer bezielde
den uitgeputten reiziger met nieuwen moed; hij spande zijne
weinige, hem nog overgebleven krachten in, om dat eenvoudige
verblijf, 't welk hem in dit geval een Eden toescheen, des te
spoediger te bereiken, en weldra werd hij met de meeste gast-
vrijheid onder het schamele dak ontvangen.
De gastheer, den toestand van afmatting en vermoeienis,
waarin zijn gast verkeerde, duidelijk bespeurende, diende hem
terstond een zuurachtigen drank toe, die hem opfrischte niet
alleen, maar hem weder geheel tot zich zeiven bracht. Nadat
de reiziger wat uitgerust was, noodigde de Indiaan hem uit
zijn eenvoudig maal met hem te deelen, waarop deze onder-
scheidene spijzen in eigenaardig bruin en blinkend gepolijst
vaatwerk opdischte, en waarbij hij ook nog een bijzonder geu-
rigen wijn voegde. Toen de maaltijd geëindigd was, bood hij
zijn gast nog sappige confituren aan en besloot met een glas
zeer goeden brandewijn.
Onze reiziger, die aanvankelijk slechts werktuigelijk aan zijne
behoefte had voldaan, begon ten laatste met meer aandacht een
blik om zich heen en naar buiten te slaan, en zich af te vragen,
hoe die arme duivel toch wel aan dat alles mocht komen, te
meer daar deze alles in ruimte voordiende en steeds aanspoorde
om toe te tasten.
Do gastheer merkte dat wel, maar scheen met heimelijk
genoegen de klimmende verwondering van zijn gast gade te
slaan. — Deze, zijne nieuwsgierigheid niet langer kunnende
bedwingen, zeide eindelijk:
■— »Bij al het goede, dat ge mij heden geschonken hebt,
ontbreekt nog iets, en wel de mededeeling, hoe gij in de be-
ki'ompenheid en afzondering, waarin gij hier leeft, aan dat alles,