Boekgegevens
Titel: De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Auteur: Kars, A.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn & Zoon, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5142
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205740
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: zoötechniek, veeteelt: algemeen
Trefwoord: Veeteelt, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
soortige stoffen vervangen. Zal dit echter kunnen geschie-
den, dan is er steeds aanvoer van nieuwe stoffen noodig,
dat is, wij moeten voedsel gebruiken. Zoo is het met elk
dier. In het voedsel moeten alle stoffen voorkomen, welke
het dierlijk lichaam noodig heeft, om alle deelen te onder-
houden en in grootte te doen toenemen.
Wij brengen die stoffen, welke wij vormbestanddeelen
noemen, niet elk afzonderlijk in ons lichaam. Neen, het
voedsel, dat wij gebruiken, bevat soms slechts enkele dier
bestanddeelen, zoodat wij weer andere stoffen moeten op-
nemen, waarin de ontbrekende bestanddeelen voorkomen.
De stoffen, welke wij als voedsel gebruiken, moeten echter
eerst dienstbaar gemaakt worden vpor de voeding en daartoe
moet er met het voedsel heel wat gebeuren. Verschillende
verrichtingen moeten er plaats hebben, om de bniikbare
deelen van het voedsel te scheiden van de onbruikbare,
want hooi, lijnkoek, gras enz. zijn niet geheel tot voeding
geschikt. De omzetting van het voedsel geschiedt in het
spijsverterings-kanaal, en de verschillende verrichtingen,
welke in dit kanaal plaats grijpen, worden voedingsverrich-
tingen genoemd. Is eenmaal het voedsel geschikt gemaakt,
dan wordt het door het bloed opgenomen en naar alle deelen
van het lichaam gevoerd en datgene afgegeven, wat elk
.bizonder deel noodig heeft. Om de verandering van het
voedsel te kunnen nagaan, moeten wij het volgen op den
weg, dien het door het lichaam neemt. Stel u eene koe voor.
Wij onderscheiden aan het lichaam: kop, romp en lede-
maten. De romp bevat twee holten, die door eene sterke
afscheiding, het middenrif, zijn gescheiden. De voorste holte
bevat het hart en de longen; de achterste holte bei'gt: de
maag, de darmen, de lever, de nieren. Beide holten staan
in verbinding met den mond, de eerste door middel van de