Boekgegevens
Titel: De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Auteur: Kars, A.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn & Zoon, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5142
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205740
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: zoötechniek, veeteelt: algemeen
Trefwoord: Veeteelt, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
77
vetkliertjes houden de wol zacht en lenig en het vocht uit
de zweetkliertjes in vereeniging met dat der vetkliertjes
vormen het zoogenaamde wolzweet, waaraan de wol haar
eigenaardige bruine kleur te danken heeft. Dit wolzweet
wordt bij het wasschen der wol verwijderd, daar het in
water oplosbaar is. Fijne wol bezit meer wolzweet dan
grove en de voeding en de verpleging hebben ook invloed
op de hoevéelheid van het wolzweet. Dit wolzweet maakt
de wol bestand tegen het weder en is voor kenners een
middel om de deugd der wol te beoordeelen. — Op ver-
schillende eigenschappen wordt gelet, om de wol te beoor-
deelen. Vooreerst let men op de fynheid, welke met behulp
van een werktuigje, de wol meter, wordt onderzocht. Snijdt
men een haar dwars door, dan verkrijgt men een dwars-
doorsnede, welke kleiner is naarmate de wol fijn is. Ten
2''" let men op de gelijkheid; de wolharen moeten van gelijke
dikte zijn. Ten komt het min of meer gekronkeld zijn
der haren in aanmerking. Fijne wol heeft meer kronkels '
dan grove. Ten 4'^'' is de veerkracht van veel belang. Rekt
men een haar, dan moet het in zijn vorigen stand terug-
keeren,als men met rekken ophoudt. Van deze eigenschap
hangt de leniiïheid der stoften af, en ook gaat er mee gepaard
het krimp vermogen en de volbaarheid, dat is, hefvermogen
om vilt te vormen. Alleen bij zeer fijne haren, zonder merg
komt de volbaarheid voor. Ten S'^" is de kleur niet van belang
ontbloot, omdat alleen zuivere witte wol eene kleur kan worden
gegeven, zooals men verkiest. Ten 6''® moet de wol krachtig
zijn, daar dit van invloed is op de sterkte der stoften,
welke men er van vervaardigt. Eindelijk wordt op den
glans gelet. Deze mag niet glasachtig wezen, omdat zulke
haren hard en broos zijn. — Men spreekt ook nog van
stapel en vacht. De afzonderlijke wolharen vereenigen zich