Boekgegevens
Titel: De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Auteur: Kars, A.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn & Zoon, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5142
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205740
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: zoötechniek, veeteelt: algemeen
Trefwoord: Veeteelt, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
. 76
liefst met kort welig gras begroeid en niet te vochtig moeten
zijn. Vinden de dieren buiten niet genoeg, dan moet men
hen bij voeder geven zooals: hooi, kaf, haver, stroo enz.
Voor zuiver drinkwater en voor een schaduwrijke plaats ep
het heetst van den dag, om uit te rusten, moet worden ge-
zorgd. De stal moet niet te warm zijn en het leger moet
steeds droog wezen. Strooit men met plaggen qf aarde, dan
werpt men er wat stroo overheen om de wol zuiver en de
dieren gezond te houden.
Het schaap levert wol, vleesch en melk. De wol der
schapen wordt zoo veelvuldig gebruikt en bewijst zulke be-
langrijke diensten aan den mensch, dat wij er nog het een
en ander van willen meedeelen. Wol komt in samenstelling
en groeiwijze met de gewone haren overeen. Zij onderscheidt
zich echter van het gewone haar, door bijzondere weekheid
en veerkracht, alsmede door hare neiging om zich te kron-
kelen. Alle wol bezit echter de genoemde eigenschappen niet
in dezelfde mate, maar dit hangt af van het ras. De wol-
haren groeien in putjes van de huid en het gedeelte, dat in
de huid is, wordt haarwortel genoemd. Daar, waar de wol-
haren uit de huid te voorschijn komen, dus in de zooeven
genoemde putjes, wordt het zoogenaamde liaarzakje gevonden,
door welks wanden talrijke bloedvaten dringen, welke de
voedingsstoffen voor de wol toevoeren. In de huid vindt
men in verbinding met de haarwortels vetkliertjes en zweet-
kliertjes, die van grooten invloed zijn op de hoedanigheid
van de wol. Het uitwendige van de wolharen bestaat uit
een buitenste laag cellen, de opperhuid, uit een tweede laag
ceUen, de schorslaag, en inwendig merkt men een donkere,
zwarte streep, het mergkanaal. Er zijn evenwel schapen,
zooals de merino's, welker haren geen merg hebben, zoodat
men merghoudende en mergvrije haren onderscheidt. De