Boekgegevens
Titel: De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Auteur: Kars, A.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn & Zoon, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5142
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205740
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: zoötechniek, veeteelt: algemeen
Trefwoord: Veeteelt, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
74
Zuid-Holland wordt gevoerd, verdwijnt meer en meer, om-
dat mén ook door kruisen met de Lincoln scliapen, meer
voordeel tracht te behalen. 4°. Het Zeeuwsche schaap is
een groot grof dier, dat echter weinig meer gevonden wordt,
zoo als het oorspronkelijk was, omdat men door veredeling
er meer een vleeschras van heett gevormd. 5". Het Veluw-
schaap is een gi'oot dier met langen staart en zonder horens.
Pit schaap komt niet alleen in Gelderland voor, maar ook
in Utrecht, Noord-Brabant en gedeeltelijk ook in Noord- en
Zuid-Holland. Het heeft een lang, gestrekt lijf en is vrij
hoog op de pooten. Het heeft weinig aanleg om spoedig en
gemakkelijk vet te worden. De wol behoort tot de grovere
soorten, die minder krimpt dan de wol der kortstaartige
schapen. Het kruisen met Engelsche rammen, vooral van
het Leicesterras is aan te bevelen, omdat daardoor de jongen
meer aanleg tot vetvorming krijgen. 6®. Het Kempensche
ras is eigenlijk eene verscheidenheid van het Veluwsche
schaap; maar is kleiner, heeft korter en meer gekroeste
wol, die fijner is met meer krimpkracht.
In 't algemeen wordt het schaap gehouden om vleesch,
wol en melk voort te brengen. Toch mag niet worden voor-
bijgezien, dat in vele streken de mest een belangrijk bij-
product is. Wil men schapen houden voornamelijk ter voort-
brenging van vleesch, dan moet men op de volgende eischen
letten: zulke dieren moeten een grooten romp, een breed
schoft, een langen en breeden rug en een breed kruis be-
zitten; de borst moet breed en diep zijn, maar kleine longen
bevatten; de schouderbladen moeten steil en zooveel mogelijk
evenwijdig aan elkander loopen; de pooten moeten ver uit
elkander staan en de huid moet gemakkelijk verschuifbaar
zijn, maar niet te dun aanvoelen. — Bij schapen om de