Boekgegevens
Titel: De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Auteur: Kars, A.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn & Zoon, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5142
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205740
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: zoötechniek, veeteelt: algemeen
Trefwoord: Veeteelt, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
69
voor de hoeven van jonge paarden, deze op natten mest te
laten staan of in natte weiden te laten grazen. Men moet
vooral naar een goeden hoefsmid omzien, want vele hoeven
worden door onverstandige hoefsmeden bedorven. Het ijzer
moet gemaakt worden naar den vorm van den hoef en niet
omgekeerd, zoodat al dat snijden en vijlen aan den hoef,
om het den vorm van het ijzer te geven, ten zeerste moet
worden afgekeurd. Heeft een paard te groote hoeven met
vlakke zolen dan mag men door afsnijden en vijlen geen
kleineren vorm trachten te verkrijgen, omdat men dan de
binnenste deelen van den hoef kwetst en het dier daardoor
kreupel wordt. Bij te kleine hoeven moet de rand van het
hoefijzer zoover buiten den draagwand uitsteken als zulks
kan en van zulke hoeven mag maar weinig worden afge-
nomen. Men zal ook weldoen in dit geval ijzers met lippen
te gebruiken, waardoor minder nagels in den hoef behoeven
geslagen te worden.
Bij het gebruik van een paard komt het vooral aan op
eene doelmatige aanspanning. Het getuig moet eenvoudig
ingericht wezen en niet zwaarder zijn, dan noodig is om de
volle aanwending van de kracht toe te laten. Verder mogen
aan de binnenzijde van het haam geen naden voorkomen en
moet het haam zoo zijn, dat het geheel tegen de schouders
van het paard komt en door de plaatsing der trekringen,
ondersteund door de werking van den buikriem, moet het
steeds in dien stand gehouden worden, waardoor het paard
niet alleen met de borst, maar met de geheele kracht en
het geheele gewicht van zijn lichaam trekken kan.