Boekgegevens
Titel: De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Auteur: Kars, A.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn & Zoon, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5142
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205740
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: zoötechniek, veeteelt: algemeen
Trefwoord: Veeteelt, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
61
te lang. Het kruis is bij een paard vooral van belang, omdat
het de zetel is der kracht, die het lichaam moet voortbewegen.
Het bestaat uit het kruisbeen met een gedeelte van de
staartwervels en de bekkenbeenderen. Het kruis moet eenig-
zins hellen, goed bevleeschd zijn en dikke spieren bezitten.
Van de ledematen zijn de achterste het meest van belang,
omdat zij 't lichaam bij de beweging vooruit moeten brengen.
De stand van de ledematen moet rechthoekig zijn en de
pooten mogen niet te ver onder het lichaam staan, terwijl
de voorpooten niet te ver vooruit en de achterpooten niet te
ver achteruit mogen staan. Verder dient bij een paard nog
gelette worden op de borst, de buik, de flanken en den staart.
Over 't algemeen moet de borst breed zijn. De flanken maken
het bovenste en wel het achterste deel van de buik uit,
gelegen tusschen de lendewervels, de laatste rib en de
heupen. De flanken moet kort en vol zijn. Van de buik
eischt men bij een goed paard, dat zij denzelfden omvang
heeft als de borst. De staart kan hoog aangezet of diep-
liggend zijn. Door een hoog aangezetten staart verstaat men
zulk een, waarvan de eerste wervels de richting van het
kruis volgen en dus de staart vrij uit het lichaam treedt.
Staan de eerste staartwervels lager dan de verlengde lijn van
het ki'uis, zoo noemt men den staart laag aangezet. Diep-
liggend heet hij, als hij lager dan het kruisbeen ligt en door
een dikke spiermassa is omgeven.
Het paard heeft een goed onderscheidingsvermogen. De
personen, die hem geregeld oppassen; den stal, waarin hij
verblijf vindt; de weide, waar hij des zomers graast: zijne
vrienden en vijanden enz., kent hij. Aan de gave van waar-
neming paart het dier een goed geheugen en daardoor kan
men het paard allerlei kunsten leeren, mits men hierbij niet
ruw te wei'k ga. Met zachtheid kan men veel van het