Boekgegevens
Titel: De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Auteur: Kars, A.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn & Zoon, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5142
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205740
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: zoötechniek, veeteelt: algemeen
Trefwoord: Veeteelt, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
HO
durend meer zichtbaar, shjt meer af en verdwijnt eindelijk
geheel. Omdat de holten in de bovenkaak dieper zijn dan
die in de onderkaak, is het merk in de snijtanden der laatste
spoediger afgesleten. Bij de beoordeeling van den ouderdom
is het van belang te weten, dat de holte van de middelste
der snijtanden van de onderkaak in het zesde jaar verdwijnt.
In het zevende jaai- verdwijnt de holte in de tand op de
middelste volgende en in het achtste jaar die van de beide
buitenste. In de bovenkaak verdwijnt het merk eerst 3 jaren
later. Nadat het merk is verdwenen, vei'andert langzamer-
hand de vorm der kroonvlakte, zoodat ook daarnaar de
ouderdom van het paard ten naaste bij kan worden bepaald,
ofschoon het in sommige gevallen, zooals bij kribbijters, geen
zekerheid geeft. Op ongeveer jarigen leeftijd heeft het
paard alle tanden en kiezen. Is het paard 2'|2 jaar oud
geworden, dan begint het te wisselen, de melktanden vallen
van tijd tot tijd uit en er komen blijvende tanden voor in
de plaats.
Bij het paard wordt zeer op den lichaamsvorm gelet en
tevens op de kleur der huid en van het haar. Ten eerste
komt de kop in aanmerking met de daaraan zich bevindende
neus, ooren en oogen. Het geheel moet voor den hengst
sterk gebouwd zijn en voor de merrie fyner wezen.
Het oog moet groot en helder zijn en tevens opmerkzaam-
heid uitdrukken. In de tweede plaats let men op den hals,
waaraan men nog verschillende deelen benoemd als: nek,
bovenhals, de zijden, de beneden hals of keel. De spieren
van den hals moeten goed ontwikkeld wezen, om den kop
te kunnen dragen. De schoft, welke door de doornsgewijze
uitsteeksels der eerste borstwervels wordt gevormd, moet
voor rijpaarden hoog en lang zijn. De rug, dat is het ge-
deelte tusschen schoft en heupen, moet recht wezen en niet