Boekgegevens
Titel: De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Auteur: Kars, A.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn & Zoon, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5142
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205740
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: zoötechniek, veeteelt: algemeen
Trefwoord: Veeteelt, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
Het Paard.
Het paard bekleedt met recht eene voorname plaats in
de rij onzer huisdieren. Zijn sierlijk lichaam, zijne leer-
zaamheid en gehoorzaamheid, zijne kracht, zijne snelheid
van bewegingen, zijne geschiktheid voor trekken en dragen,
zijne volharding en zijn moed maken hem tot een door den
mensch zeer geliefd dier. Over de gansche aarde is het
paard verspreid. Het komt ook in het wild voor en leeft
dan in groote troepen bij elkander. Omdat het levende
jongen voortbrengt, behoort het tot de zoogdieren en daar
het aan eiken poot maai' één teen bezit, welke met een
breeden hoef bekleed is, brengen de dierkundigen het paard
tot de oi'de der éénhoevigen. Het mannelijk dier wordt
hengst, het vrouwelijk merrie en het jong veulen genoemd.
Aan het gebit kan men gewoonlijk den oudei'dom van het
paard herkennen. In elke kaak heeft het 6 snijtanden,
2 hoektanden en 12 kiezen. De hoektanden zijn meestal
klein en ontbreken soms bij de merrie. Een blik op de
kiezen toont duidelijk aan, dat zij ingericht zijn voor het
vermalen van plantaardig voedsel. De kroon der kiezen is
vlak en van plooien voorzien. Boven in de snijtanden be-
vindt zich eene holte. Elke tand bestaat uit drie lagen:
het cement, het émail en het tandbeen. Beziet men een
snijtand goed, zoo bemerkt men van boven twee kring-
vormige lagen van émail, die zeer hard zijn en niet spoedig
afslijten. De binnenste dezer lagen omgeeft eene holte, het
merk genoemd, dat inwendig met cement is bekleed. Tus-
schen de twee émaillagen vindt men het weekere tandbeen.
De tandholte wordt langzamerhand kleiner, daar door het
gebruik de tanden afslijten. Het merk wordt dus voort-