Boekgegevens
Titel: De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Auteur: Kars, A.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn & Zoon, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5142
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205740
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: zoötechniek, veeteelt: algemeen
Trefwoord: Veeteelt, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
51
langzamerhand aan droog voer gewend zijn, zullen, in de
weide komende, volop zich te goed doen aan het jonge gras.
Hierdoor echter wordt nu van de maag en wel van de pens
eene taak geeischt, welke zij onmogelijk kan volbrengen en
het kalf zal daardoor in de weide achteruitgaan. Het ge-
wennen aan droog voer is dus een vereischte en men moet
hiermee niet wachten tot het dier eenige weken oud is, maar
zoo vroeg mogelijk er mee beginnen. De meeste fokkers
geven hunnen kalveren geen zuivere koemelk, maar afge-
roomde en karnemelk, waarin niet al de stoffen aanwezig
zijn, die het kalf voor den opbouw van zijn lichaam noodig
heeft, zoodat ook om deze reden hun hooi of eenig ander
droog voer moet worden gegeven. Onthoudt men kalveren
in het voorjaar droog voer, dan zullen velen sterven.
Het is voor het verkrijgen van goede koeien noodzakelijk,
dat de opvoeding van het kalf goed zij. Daarom geve men
hun liever zuivere koemelk dan afgeroomde of karnemelk,
benevens de noodige hoeveelheid droog voer. Het droge
voeder mag echter niet moeijelijk verteerbaar zijn, omdat de
de maag nog niet daarvoor geschikt is. Hooi, dat oud
gewonnen is, is hard en houterig en daarom moeielijk te
verteren. De spijsvertering van het jonge dier zou door
zulk voedsel gestoord worden en niet zelden is dan de dood
er het gevolg van, want zulk voedsel blijft tusschen de bladen
van de boekmaag hangen of het gaat uiterst moeielijk door
de nauwe opening van de lebmaag, zoodat er verstoppingen
ontstaan. De afvoer van de verteerde spijzen wordt in die
gevallen tegen gehouden, en er ontstaat eene rotting van
het voedsel, waardoor zich stinkende gassen ontwikkelen,
welke maag en buik doen zwellen. Men bemerkt het spoedig
aan de kalveren, wanneer zij aan deze ziekte lijden, daar
dan de uitwerpselen waterig en de buik gespannen is, zoodat