Boekgegevens
Titel: De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Auteur: Kars, A.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn & Zoon, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5142
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205740
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: zoötechniek, veeteelt: algemeen
Trefwoord: Veeteelt, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
47
op hare nakomelingen, en daarom dient men te weten, of
het dier van een goed ras afstamt, en dit kan alleen blijken
uit het stamboek, of als men de familie van het dier nauw-
keurig kent. Er zijn evenwel aan de koe uiterlijke teekenen
van melkrijkheid en het is goed, dat elke veefokker die
teekenen kent. Wij willen er het een en ander van mee-
deelen. Reeds hebben wij geleerd, dat de melk in de borst-
klieren, dus in den uier wordt bereid. Eene goede ontwik-
keling van den uier komt dus eerst in aanmerking. De
veekenner noemt den uier goed ontwikkeld, als hij een flinke
grootte heeft, eene dunne huid bezit, niet vleezig is, zich
zoo ver mogelijk naar voren uitstrekt en voorzien is van
goede tepels. In de tweede plaats komen de meikaderen in
aanmerking. Deze moeten groot en kronkelend zijn en zich
sterk vertakken, alvorens zij den uier bereiken. De meik-
aderen loopen naar het hart, en voor zij dit bereiken, loopen
zij van de oppervlakte der huid naar het dieper gelegen hart,
waardoor er indeukingen, gaten of kuilen ontstaan, welke
zoo dicht mogelijk bij de voorpooten moeten gelegen zijn.
Deze kuilen noemt men melkkuilen. In de derde plaats
komt de melkspiegel in aanmerking, waardoor men de plaats
verstaat aan het achterste gedeelte van den uier en de dijen.
De grootte van den spiegel wordt aangewezen door een
duidelijk zichtbare lijn, welke gevormd wordt door de in
tegengestelde richting loopende haren van den melkspiegel
en van het overige der huid. De haren op den melkspiegel
loopen naar boven en die der huid naar beneden. De melk-
spiegel moet groot en met zeer fijne haren bezet zijn; de
kleur moet geel en de melkspiegel met schilfers bedekt zijn,
die men er gemakkelijk kan afkrabben. Een Franschman,
Guenon geheeten, heeft zich jaren lang bezig gehouden met
den melkspiegel te onderzoeken van een groot aantal koeien