Boekgegevens
Titel: De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Auteur: Kars, A.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn & Zoon, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5142
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205740
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: zoötechniek, veeteelt: algemeen
Trefwoord: Veeteelt, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
er zich naar inrichten. — Er is nog iets anders, waarop bij
het voederen dient gelet te worden namelijk op den tijd.
In de natuur neemt het dier eene bepaalde hoeveelheid
voedsel op en begint niet opnieuw te vreten, vóór het ge-
voel van honger hem daartoe drijft. Van het eene voedsel
kan het dier meer gebruiken dan van het andere, daar dit
afhangt van den aard van het voedsel. Hebben dieren tegen
hun wil langen tijd gevast, dan vreten zij wel eens te veel,
hetgeen op de spijsvertering storend werkt, vooral als het
voedsel niet gemakkelijk is te verteren. De stalvoedering
moet er opingericht zijn, dat de dieren genoeg keeren per
dag eene voldoende hoeveelheid voedsel ontvangen en dat
tusschen de voedertijden, tijd genoeg overblijft voor de ver-
tering van het voedsel. Vooral bij herkauwers moet de tijd
ruim genoeg zijn, daar niet of slecht herkauwd voedsel niet
zoo gemakkelijk verteert. Vaste tijden tot voederen zijn
dus noodig en elk veehouder weet bij ondervinding door de
dieren zelve geleerd, welke die tijden zijn moeten.
De verpleging van het vee.
Behalve eene doelmatige voedering is ook eene goede ver-
pleging noodig, om van zijn vee het gewenschte voordeel
te trekken. Voor de gezondheid der dieren moet goed worden
gezorgd en daartoe is alweer veel kennis noodig.
Laat ons eerst iets van de stallen zeggen. Een groot ge-
deelte van het jaar heeft de landman zijne dieren onder
dak. Zij worden aan eene bepaalde plaats gebonden en ver-
laten die niet of het dier moet werk verrichten. De land-
bouwdieren hebben eene krachtige ademhaling. De lucht
in den stal zal door de dieren weldra verbruikt zijn en