Boekgegevens
Titel: De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Auteur: Kars, A.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn & Zoon, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5142
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205740
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: zoötechniek, veeteelt: algemeen
Trefwoord: Veeteelt, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
moet worden met het voeder, opdat het door het vee ge-
makkehjk verteerd zal worden. Op het gehalte van het
voeder komt het zeer aan, wij zagen dit reeds bij de be-
handeling der verschillende voedingsmiddelen, en ook moet
steeds het voedsel een zeker volume hebben om de ingewanden
te vullen. Gaf men b.v. een dier zulk voedsel, waarin bij
eene kleine hoeveelheid veel, zeer veel voedingsbestanddeelen
voorkomen, zoodat maag en darmen slechts gedeeltelijk ge-
vuld waren, dan zou dit de spijsvertering niet aan den gang
houden bij gebrek aan stof en die spijsvertering zou er
onder lijden en het dier, in weerwil van de genoegzame
voorraad voedingsbestanddeelen, zou vermageren. Het is
dus noodig, bij zulk, zooals men dat noemt, geconcentreerd
voedsel, ander, en wel ruw voer, zooals stroo, hooi enz. toe
te dienen. In het tegenovergestelde geval, namelijk als de
hoeveelheid hooi enz. niet genoeg voedsel bevat, dan moet er
weer krachtvoer worden gegeven, zooals koek enz. De land-
bouwer kan zijn voedsel voor het vee niet gemakkelijk afmeten,
omdat het watergehalte van het voer niet in aanmerking
kan komen. Daarom moet de boer kunnen bepalen naar 't
gewicht, hoeveel procent droge stof het voedsel bevat. Het
is ook niet onverschillig hoeveel voedsel de verschillende
dieren krijgen, daar hun ouderdom, hunne zwaarte, de arbeid
dien zij verrichten, en hetgeen zij al of niet voortbrengen
in aanmerking moet worden genomen. Het beste is nog het
levend gewicht als maatstaf te nemen, voor het toe te dienen
voedsel, ofschoon dieren van dezelfde zwaarte nog niet altijd
even groote en even goede verteringswerktuigen bezitten. De
veehouder dient dus vooral door onderzoek te komen tot de
juiste hoeveelheid voedsel voor elk dier noodig. Bij veran-
dering van voer vooral moet hij zeer voorzichtig te werk
gaan, vooral bij voedsel, dat geconcentreerd is, omdat het