Boekgegevens
Titel: De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Auteur: Kars, A.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn & Zoon, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5142
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205740
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: zoötechniek, veeteelt: algemeen
Trefwoord: Veeteelt, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
telden, maar wij zeiden er bij, dat wij er u niet meer van
konden vertellen, omdat gij het niet zoudt begrijpen. Nu
moet men het woord voedingsstof niet verwarren met voe-
dingsmiddel, welk laatste een mengsel is van verschillende
voedingsstoffen. Zoo zijn stroo, hooi, gras, koek enz. voe-
dingsmiddelen. De waarde van een voedingsmiddel wordt
bepaald naar de hoeveelheid en de oplosbaarheid der voor-
naamste voedingsstoffen, welke het bevat. Gewoonhjk kan
alleen een mengsel van verschillende voedingsmiddelen een
geschikt voedsel opleveren. In 't algemeen kan men zeggen,
dat de voeding toereikend en in hoedanigheid passend voor het
dier zijn moet. Uitgezonderd voor het varken, dat zich
ook met voeder van dierlijke afkomst voedt, is de plant
onmiddellijk de toebereidingsplaats voor de voedingsmiddelen
der landbouwdieren. Uit de bestanddeelen der planten bouwen
de dieren hun lichaam op, door ze bij de spijsvertering om
te zetten en datgene, wat niet verwerkt kan worden, als
mest buiten het lichaam te brengen. Wat dus eerst een
deel van den grond of van den dampkring was, wordt een
deel van eene plant en deze weer deel van het dierlijk
lichaam, dat eindelijk weer terugkeert tot den grond en
den dampkring. De stoffen, door het darmkanaal gaande,
worden maar voor een gedeelte verteerd en dit gedeelte
is alleen ter voeding geschikt. Alle bestanddeelen, waaruit
het lichaam is opgebouwd, moet het dier in het voeder
aantreffen. Verder is het niet voldoende, dat het dier
eene genoegzame hoeveelheid voeder ontvangt, maar in
het voeder moet eene geschikte verhouding zijn van zoo-
danige stoffen, als vereischt worden, om weefsels voort te
brengen, vet te vormen enz. Om nu een voedermiddel te
beoordeelen, moet men het gehalte aan voedingsstoffen kennen
en hoeveel er van verteerbaar is. Dit laatste vooral is van