Boekgegevens
Titel: De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Auteur: Kars, A.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn & Zoon, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5142
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205740
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: zoötechniek, veeteelt: algemeen
Trefwoord: Veeteelt, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
in het tweede geval zijn de jongen zwak en menigmaal is
van zulk voeder het verwerpen, d.i. het te vroeg geboren
worden van het jong, het gevolg. In den laatsten tijd der
dracht moeten de dieren niet veel voedsel te gelijk, maar
een keer meer hebben. Het voedsel zelf moet vrij zijn van
gebreken Zoo mogen drachtige dieren vooral geen voeder
hebben, waarop roest of brand voorkomt en ook geen voedsel,
dat moeilijk is te verteren.
Kan het vee in' het najaar bij gunstig weer lang in de
wei blijven, dan moeten drachtige koeien vooral niet te lang
blijven loopen op vochtige met hermoes bezette weiden.
Drachtige dieren moeten verder vooral zachtzinnig behandeld
worden. Zulke dieren mogen niet snel gaan of veel en
zwaar werk verrichten en vooral onthoude men zich van
slaan of stooten.
Veevoedei' en zijne waarde.
Zij, die denken, dat het voederen eene gemakkelijk zaak
is, hebben het glad mis. Als gij u nog eens herinnert, wat
wij bij de voedingsverrichtingen zeiden, dan kunt gij nu
reeds begrijpen, dat het voederen eene belangrijke zaak is.
Door het dier te voederen; verkrijgen wij van hem arbeid,
vet, vleesch, melk, jonge dieren. Veevoeder is bijgevolg
een woord van groote beteekenis. Wij hebben reeds meer-
malen het woord voedingsstoffen gebniikt; wij verstaan er
door de scheikundige verbindingen, die, door de spijsver-
tering daartoe geschikt gemaakt, in het bloed worden opge-
nomen en tot opbouw en onderhouding van het hchaam
dienen. De voornaamste dier stoffen zijn eiwit, vet, koolstof
en zouten, waarover wij bij de stofwisseling reeds iets ver-