Boekgegevens
Titel: De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Auteur: Kars, A.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn & Zoon, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5142
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205740
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: zoötechniek, veeteelt: algemeen
Trefwoord: Veeteelt, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
niet altijd zekerheid dat het goede fokdieren zijn; meer moet
men letten op hunne afkomst en hieruit blijkt het nut,
dat stamboeken opleveren. Ook is het bewezen, dat de
invloed op den veestapel van het mannelijk dier grooter is
dan die van het moederdier.
Bij het aanfokken moet men er vooral ook op bedacht zijn,
dat ziekten of de aanleg er toe erfelijk zijn, zoodat men
alleen dieren met elkander moet laten paren, die van eene
gezonde, krachtige familie afstammen, zelf eene goede ge-
zondheid genieten en een goed gebouwd lichaam hebben.
Vooral het laatste moet niet uit het oog worden verloren,
daar vooral de gebreken van den üchaamsbouw erfelijk zijn.
Wordt een dier in eene andere luchtstreek overgebracht, dan
oefenen klimaat, grond en verpleging invloed uit en hebben
er meer of minder veranderingen plaats, die op het dier zelf
als fokdier of op zijne nakomelingen van invloed zijn. Nu
kan iemand klimaat en grond niet veranderen, maar wat de
voeding aangaat, dat hangt voor een groot deel van den
fokker af. Hij moet bedenken, dat het kalf, het veulen, de
biggen, in één woord, het ongeboren dier leeft door het
moederdier, dat daarom in dien tijd niet alleen meer, maar
ook krachtig voedsel moet ontvangen, voedsel, dat geschikt
is, om het nog ongeboren jong te voeden. Bovenal zorge
de veefokker er voor, dat alle bestanddeelen, noodig voor
den bouw van 't lichaam, in voldoende hoeveelheid in het
voeder aanwezig zijn. Is dit niet het geval, dan geeft het
moederdier van haar eigen lichaam het ontbrekende en daar-
door ontstaat bij drachtige dieren brosheid der beenderen.
Het voeder mag ook niet te krachtig en te droog zijn of te
slap en te vloeibaar; in het eerste geval wordt het bloed te
dik en ontstaan lamheid en krampen, terwijl de moederdie-
ren naderhand weinig en veelal ongezonde melk geven, —