Boekgegevens
Titel: De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Auteur: Kars, A.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn & Zoon, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5142
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205740
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: zoötechniek, veeteelt: algemeen
Trefwoord: Veeteelt, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
24
natuur gezorgd, door de bloedvaten zoo in te richten, dat
zij zich verwijden en vernauwen kunnen. Wordt het kouder,
zoo vernauwen zich vooral de bloedvaten aan de oppervlakte
van het hchaam, waardoor er minder bloed langs die opper- ,
vlakte stroomt en er minder water wordt verdampt en er dus
niet zooveel warmte verloren gaat. Is daarentegen de tem-
peratuur van de omgeving hoog, dan verwijden zich de
bloedvaten, de bloedstroom wordt daardoor grooter en de
verdamping neemt toe, zoodat het warmteverlies grooter wordt.
Voor de instandhouding van dezelfde soort van dieren is
in de natuur gezorgd, doordat de dieren op verschillende
wijze zich voortplanten. De verrichting heet voortplantings-
verrichting. De landbouwdieren brengen levende jongen ter
wereld. De draagtijd duurt bij
de merrie gemiddeld'48 weken,
de koe „ 40 „
het schaap „ -21 „
het varken „ 16 „
De moederdieren moeten met zachtheid behandeld en niet
gedwongen worden snel te gaan, daar zij soms koi-tademig
zijn en daardoor gewoonlijk bedaarder loopen. Een drachtig
dier neemt niet toe in uiterlijke welgedaanheid, ofschoon
het meer voedsel gebruikt dan gewoonlijk.
Zoodra het jong geboren is, heeft het behoefte aan lucht
en voedsel. Het eerste kan het vrij inademen, het laatste
moet het ontvangen van de moeder of uit de hand van den
mensch, zooals dit bij kalveren meestal het geval is. De eerste
melk, biest geheeten, mag men het jonge dier niet onthouden,
omdat de biest de ontlasting bevordert van de bruine, taaie
vloeistof, welke in het darmkanaal van het jong zich bevindt
en darmpek genoemd wordt.
Bij de ontwikkeling van het jong onderscheidt men drie