Boekgegevens
Titel: De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Auteur: Kars, A.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn & Zoon, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5142
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205740
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: zoötechniek, veeteelt: algemeen
Trefwoord: Veeteelt, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
23
Beweging is dus noodig voor het in goeden staat blijven
der spieren. — De arbeid, welke een dier verricht, kan
inwendig en uitwendig zijn. Zoo is de stofwisseling een
inwendige arbeid, waardoor in het lichaam warmte ontstaat.
Toen wij over den bloedsomloop spraken, zagen we, dat
bij de ademhaling de zuurstof der lucht zich verbindt met
de brandbare stoffen in het bloed. Zijn de spieren in werking,
dan komt er warmte vrij, welke door het bloed in de ver-
schillende lichaamsdeel en verspreid wordt, zoodat de tempe-
ratuur van het lichaam vrij wel overal gelijk is. De lichaams-
warmte onzer huisdieren bedraagt 38 ä 40° Celsius. Verricht
een dier arbeid, of neemt het meer voedsel op, dan wordt
er ook meer warmte in het lichaam ontwikkeld, zoodat
de temperatuur hooger zou moeten worden. Dit is echter
niet zoo, omdat het lichaam ook voortdurend warmte ver-
liest. Vooral verliest het dier warmte door verdamping van
vocht aan de oppervlakte van het lichaam. Tusschen de
warmte-ontwikkeling in het dier en de warmte in zijne om-
geving, bestaat een innig verband. Staat het dier in een
kouden stal, zoo heeft het meer voedsel noodig om warm te
blijven. Is de temperatuur in den stal hoog, dan verliest
het dier weinig warmte; er behoeft door hem niet zooveel
warmte voortgebracht te worden en dus behoeft er minder
voedsel in het lichaam te verbranden. Maar daar staat
tegenover, dat de verdamping van water aan. de oppervlakte
van het lichaam toeneemt, waardoor weer meer warmte
wordt verbruikt. Bij eene hooge stalwarmte zijn de dieren
onrustig, de bloedsomloop en de ademhaling worden sneller
en daardoor wordt zonder vrucht veel inwendige arbeid ver-
richt. Bij verandering van de tempei'atuur der lucht in de
verschillende jaargetijden zou het dier wel eens te weinig of
te veel warmte kunnen verliezen. Hiervoor heeft echter de